Draai om je oren
Interview



home  
    
    
 

Von Freeman - Tussen traditie en toekomst

Het was, denk ik, in de late jaren tachtig dat vader Von en zoon Chico Freeman een openluchtconcert gaven in het Groninger Sterrebos. Hoe gaat dat wanneer je twee tenoristen naast elkaar zet? Ook al zijn het père et fils. Je krijgt dan toch al gauw een soort rivaliteit, die zich kan ontwikkelen tot een regelrechte, doorgaans goedmoedige battle. In de loop van de strijd kregen wij, de Von Freeman-fans, het akelige vermoeden dat de zoon de vader ging verslaan. Wat een techniek! Dat wil zeggen, tot het moment dat een stelletje onverlaten erin slaagde de stroom af te sluiten. Als echte troopers bliezen de saxofonisten onverdroten door, maar al gauw lagen de kaarten volledig anders. Chicos spel bevond zich ineens in de buurt van de gehoordrempel. Von maakte het niets uit: die had zijn hele leven al onversterkt gepeeld, dus met zijn projectie kon die dat parkje met het grootste gemak aan. We keken elkaar tevreden aan: Vonski had het hem weer gelapt.

tekst: Eddy Determeyer
foto's: Geert Vandepoele & Maarten van de Ven

Earl Lavon Freeman werd op 3 oktober 1922 in Chicago geboren, de stad waar hij zijn hele leven zou werken en waar hij op 11 augustus 2012 ook zou komen te overlijden, aan hartfalen.

Er was altijd volop muziek in huize Freeman. Pa had een Victrola opwindgrammofoon met stapels 78-toeren platen, vooral van Louis 'Pops' Armstrong, Rudy Wiedoft en het 'sweet' orkest van Guy Lombardo. Zodoende maakte Lavon als kleuter al kennis met Pops, die een tijdlang huisvriend van de Freemans was en met andere muzikanten. Hij was al snel gefascineerd door de saxofoon en zo demonteerde hij als zevenjarige stiekem de exponentiële hoorn van de Victrola, boorde daar gaatjes in en kon zo met zijn 'sax' door het huis paraderen. Inmiddels hamerde hij tevens driftig op de piano, zodat pa hem maar op pianoles deed en een saxofoon voor hem kocht, een C-melody model. Zijn eerste optreden, op zijn elfde, was als leider van een bandje van de dansschool van mevrouw Bruce, die hem de beginselen van het tapdansen bijbracht. De gitarist van het groepje, Charlie Norris, zou later ook beroeps worden en in het R&B idioom bekendheid krijgen. "Bless her soul, Sadie Bruce," zegt de saxofonist met bewondering in zijn stem.

Niet makkelijk
Op de middelbare school, het DuSable college, kreeg hij muziekles van de ruimschoots vermaarde 'Captain' Walter Dyett. "Wat zo waardevol aan Walter Dyett was, dat hij - ik dacht niet dat hij ook saxofoon speelde, volgens mij was hij pianist en violist - maar dat hij nooit de bink uithing. Nooit op viool. Op piano ondersteunde hij je. Hij bracht de saxofonisten embouchure bij [trekt lachende mond]. Hij was dus goed voor de blaasinstrumenten en de strijkers werden de juiste vingerzettingen bijgebracht. Veel docenten hebben het daar nooit over. Zolang als je die vingers correct gebruikte, meer eisten die niet. Maar hij was geïnteresseerd in hoe je je toon vormde. Dus hij was zeer, zeer waardevol. Ik kan me niemand van die DuSable school voor de geest halen die niet gebaat was met zijn methode. Het was een grote school, met duizenden leerlingen. Volgens mij was hij kapitein in het leger geweest, daar kwam dat 'Captain' vandaan. Hij was niet makkelijk. Als je speelde diende je rechtop te zitten. Dat soort dingen, weetjewel. Hij had met al die studenten een concertorkest, een algemeen orkest, een koor en drie of vier jazzbands. Uiteraard wilden wij allemaal in die jazzorkesten spelen. Hij had ook leerlingen als [pianiste] Dorothy Donegan, die was al op haar achttiende beroemd. Voordat ze eindexamen deed aan die highschool."

Schoolkameraadjes
Tenorist Gene Ammons en trombonist Benny Green waren schoolkameraadjes. Later zouden ook de saxofonisten Johnny Griffin en Clifford Jordan op les gaan bij de kapitein. Zijn eerste professionele job kreeg Freeman op zijn zeventiende. En dat was gelijk in een van de toporkesten van dat moment, de bigband van Horace Henderson, de broer van Fletcher. "Fletcher had meer naam. Maar ik vond dat Horace een prima pianist was en een grootse arrangeur. Hij schreef niet zo complex als Fletcher - die noteerde alles met vijf of zes kruisen, dat soort toestanden."

Chicago was, vóór de bluesboom van de jaren zestig, vooral een stad van brute tenorsaxofonisten. O nee? Wat dacht u van deze heilige barbaren: Budd Johnson, Dave Young, Franz Jackson, Eddie Johnson, Tom Archia, J.T. Brown, Claude McLinn, Johnny Griffin, Clifford Jordan? Om ons tot de top van de ijsberg te bepalen. Maar Gene Ammons was de primus inter pares. "Gene had altijd al een prachtige toon," herinnert Freeman zich. "Hij was op alt begonnen. Gene always had that. He always expressed himself so very well. Gene ging niet zozeer voor snelheid, zoals zovelen. Als je jezelf goed kunt uitdrukken heb je ook per definitie een goeie techniek. Gene Ammons zat min of meer in de buurt van Arnett Cobb. Wij hadden het vaak over Arnett Cobb. Die kwam ergens uit Texas. Daar had je een soort tenorenschool."

Pianist, componist en ziener
Von Freeman zat ook in het eerste orkest van pianist, componist en ziener Sun Ra. Zelf beweerde hij dat dat al vóór de oorlog was, maar het zal eerder 1949/50 zijn geweest. "Hij heette toen nog gewoon Sonny Blount. Hij heeft altijd op dezelfde manier gewerkt, droeg dezelfde kledij. Hij was iedereen veertig jaar voor, zonder meer. Hij nam me in zijn orkest op omdat iedereen in Chicago beweerde dat ik 'fout' speelde - hij mocht dat wel," lacht de tenorist. "Dat percussie-instrumentarium gebruikte hij toen ook al. Het is nu in de mode, heb ik gemerkt, maar hij was er indertijd al mee bezig. Alles wat je hem vandaag de dag [1977] kunt zien doen heeft hij altijd al gedaan, inclusief het werken met een lightshow."

Vervolgens speelde hij met eigen groepen en met bluesartiesten als Jimmy Reed, Gene Chandler, Muddy Waters en Otis Rush. Met zijn broers, gitarist George en drummer Bruz, vormde hij jarenlang het huisorkest van de Pershing Balroom. Ahmad Jamal was hun eerste pianist, later vervangen door Andrew Hill. De band begeleidde alle artiesten die op tournee waren, inclusief boppers Dizzy Gillespie en Charlie Parker.

In de jaren zestig was een belangrijk engagement dat met de band van zanger en entertainer Milt Trenier, de benjamin van de roemruchte acrobatische vocal group The Treniers. [Zoek nu op YouTube even naar de film 'The Girl Can't Help It.'] "We speelden overwegend liedjes van Broadway, zoals 'My Fair Lady.' De Treniers waren geweldig. Ze dansten ook veel. Ik heb ook wel met hen gewerkt. They were really great. Ze hadden wereldberoemd moeten zijn."

De een op de drie
"Maar een van mijn eerste schnabbels was met Andrew Hill. Dat was op een 78-toerenplaat. Met Malachi Favors, bas, Pat Patrick, baritonsaxofoon, Andrew Hill speelde orgel. Dat was in '53. Prachtige plaat. We namen maar één grammofoonplaat op. Een van die nummers speel ik nog altijd bijna elke avond, 'After Dark' heet het. Dat had ik geschreven. Mijn eerste opname."

Von Freeman, die ooit op drums had aangerommeld, had Ike Day hoog zitten. Een legendarische slagwerker uit Chicago, die afgezien van misschien wat anoniem begeleidingswerk in de R&B-sfeer, nauwelijks platen maakte. Maar wanneer New Yorkse azen als Max Roach, Roy Haynes of Buddy Rich in de buurt waren, gingen ze op bedevaart naar Ike Day.

"Ik maakte iets interessants met hem mee. Ik belde hem op zekere dag op en vroeg hem of hij die avond wat omhanden had. Ach, weet ik veel, wat ik altijd doe: niks, antwoordde hij. Ik zei, man, breng je kit mee – want hij kon net zo goed met alleen een bekken komen aanzetten. Wat ook niets uitmaakte, dat ritme had hij nu eenmaal. Hij had die timing, zie je. Ik belde hem dus, ik zal dat nooit vergeten. Hij kwam en het publiek vond het allemaal geweldig. Het was een ongewone plek, wij zaten ergens boven. Het publiek bevond zich beneden. Er stond een ouderwetse staande piano en die pianist kwam niet opdagen. Dus speelden we samen. O man, wat ik ook deed, hij zette daar goed getimede ritmen onder. Daarbij grijnsde hij voortdurend. Dus al die mensen beneden kwamen naar boven. Die hielden gewoon op met wat ze deden, het was een of andere politieke bijeenkomst. Wij zaten op een soort balkon en we zullen twee uur achter elkaar hebben gespeeld. Non-stop. Hij was de meest geavanceerde drummer van Chicago. Jongens uit New York kwamen naar hem luisteren, zoals Max Roach. In ritmische zin lag hij voor op iedereen. Ik kan je wel vertellen, het ging allemaal prima tot de pianist kwam opdagen. De piano schopte alles kapot. Twee uur te laat, ook nog eens een keer. En hij kon niet uitvogelen wat Ike Day deed. Soms speelde die de een op de derde tel, dan weer op de vierde, of de een ergens daartussenin. Zó druk allemaal. Zijn sock cymbal ging alle kanten op. Toen we klaar waren was dat ook de laatste keer dat ik hem zag. Geen idee wanneer hij overleed [volgens Wikipedia ergens rond 1958]. Zo in '45, '46, '47 was hij actief in Chicago. We gingen altijd naar Ike luisteren. Hij heeft platen voor Chess gemaakt. Ik kende Ike Day heel goed. Aardige gast, ook. Om het geld speelde hij nooit, hij hield er gewoon van om te spelen. En hij was zó goed in wat hij deed! Hoeveel hij ving interesseerde hem niet. Hij hield van muziek."

Jazztraditie levend
Dat kun je van Von Freeman zelf ook wel zeggen. In Chicago leidde hij jarenlang jamsessies, waar jonge muzikanten door osmose veel van zijn techniek en, vooral, wijsheid konden absorberen. Altsaxofonist Steve Coleman is vermoedelijk zijn bekendste discipel. Maar Vonski werkte ook met bijvoorbeeld pianist Jason Moran, toen die nog geen naam had. De muzikant die thans zo goed als in zijn eentje de jazztraditie levend lijkt te houden. Volgens de laatste berichten heeft Moran zich tegenwoordig vastgebeten in de figuur van orkestleider, multi-instrumentalist en proto-vakbondsman James Reese Europe (1880-1919). Als bandleider van de fameuze New Yorkse Castle School of Dancing rond 1914 de uitvinder van de foxtrot. Veel dieper kun je niet gaan.

Interview: Groningen, 14 augustus 1977 en 25 maart 2005