
Rosenberg Trio & Tim Kliphuis - 'Tribute To Stéphane Grappelli' (FM Jazz, 2008)
Opname: 2007
Het lijdt geen twijfel dat Stochelo Rosenberg een van de beste gitaristen is in het idioom van de zigeunerjazz, ooit tot ontwikkeling gebracht door de legendarische Django Reinhardt. En Tim Kliphuis kan rustig een van de erfgenamen worden genoemd van meesterviolist Stéphane Grappelli, die ooit samen met Reinhardt aan het hoofd stond van de Hot Club de Jazz. Samen zijn ze de aangewezen muzikanten voor een eerbetoon aan Grappelli, met wie het Rosenberg Trio in 1993 triomfen vierde in Carnegie Hall.
Dat eerbetoon is er, ter gelegenheid van Grappelli's 100e geboortedag (hij overleed in 1997). Stijlzuivere Hot Clubjazz, met overtuiging en het gepaste vuur gespeeld. De harmonische en ritmische basis wordt gelegd door slaggitarist Nous'che Rosenberg, een meester in zijn eigen hoekje van deze muziek, en bassist Nonnie Rosenberg (ook een neef, en mede daarom onvermijdelijk – ik zou de Rosenbergs wel eens willen horen met een bassist die iets meer allure meebrengt dan Nonnie, die weliswaar netjes de noten speelt, maar geen diepte in zijn spel heeft).
Deze recensie was eerder te lezen in HVT Magazine.
Meer horen?
Op de MySpace-pagina van Tim Kliphuis kun je luisteren naar twee tracks van dit album: 'Ol’ Man River' en 'I Surrender Dear'.(René de Cocq, 1.10.08) - [print]
- [naar boven]
Overdonderende rust
John Abercrombie Quartet, donderdag 25 september 2008, Dr. Anton Philipszaal, Den Haag
Een combo met solisten op viool en gitaar doet, zeker in jazzkringen, denken aan dat van Django Reinhardt en Stephane Grapelli. Of dit John Abercrombie voor ogen stond toen hij zijn band samenstelde, is onduidelijk. Wat wel vaststaat, is dat Abercrombie een echte jazzgitarist is, die in menig interview aangeeft te zijn geïnspireerd door Charlie Christiani en Reinhardt. Daarmee is niet gezegd dat de muziek hetzelfde klinkt. Want behalve een man van de traditie is Abercrombie ook zeker een vernieuwer, die even gemakkelijk akkoordenschema's als vrije improvisaties doorloopt. Het verloop van zijn stukken is dan ook vaak dat van een thema, via een los-vast schema van akkoorden, naar een vrij gedeelte. Op zijn laatste album, 'Third Quartet', wordt deze interesse nog eens aangegeven met een uitvoering van Ornette Colemans 'Round Trip'.
Tijdens zijn concert in de Dr. Anthon Philipszaal werd het nog eens bevestigd: de lyriek van Abercrombie, Mark Feldman op viool, Thomas Morgan op bas en Joey Baron op drums is overweldigend. Met name voor de pauze werd er op fluisterniveau gesoleerd, zodat het publiek bij de muzikanten op schoot leek te zitten. Wanneer het al te rustig werd, was daar drumbeest Baron, die met een asymmetrische roffel de boel weer op scherp zette. Waar Baron uitgesproken extrovert is als muzikant, geldt voor Abercrombie het omgekeerde. Ineengezakt met zijn gitaar op schoot is hij het toonbeeld van een ingetogen muzikant die weinig noten nodig heeft om diep in zichzelf en de muziek te graven. Zijn solo's waren rustig en geconcentreerd. Wanneer Abercrombie niet speelde, luisterde hij met gesloten ogen naar Feldman. Deze soleerde in alle registers van zijn viool en wisselde korte statements van veel noten af met meer lyrische, melodische passages. Morgan bleef lange tijd wat op de achtergrond, maar liet zich na de pauze volop gelden in 'Class Trip', een nummer met pizzicato voor bas en viool dat aan Philip Glass deed denken.
Na de pauze namen de muzikanten sowieso meer tijd om hun individuele klasse te tonen. Baron speelde geniaal, zij het wat luid, hetgeen soms wat ten koste ging van de vioolpartij. In 'Vingt-Six', een nummer van het laatste album, revancheerde Feldman zich met een stopchorus die aan een monologue intérieur deed denken. Abercrombie liet nog zien waarom hij, jaren geleden, een veelgevraagd fusiongitarist was. Dit spierballenwerk van de muzikanten was aanstekelijk, maar met name Baron leidde af van waar deze muziek over gaat: luisteren. Het laatste kwart van het concert was dan ook wat teleurstellend.
Pas bij de toegift kwam de groep weer met een hecht samenspel dat de tijd stil leek te doen staan. Toen ook werd duidelijk waarom dit kwartet door velen wordt gezien als het beste dat Abercrombie heeft gehad en als een van de beste kamerjazzensembles van het moment. Wanneer de muzikanten goed naar elkaar luisteren, dan stuwen ze
zichzelf en elkaar tot ongekende hoogten.
(Sybren Renema, 28.9.08) - [print]
- [naar boven]
Michael Moore - 'Sweet Ears' (Ramboy, 2008)
Opname: 1996
The Persons is een formatie van Michael Moore uit eind jaren zeventig. Toen experimenteerde hij met het harmonisch gebruik van riffs en grooves van elektrische gitaar. Het materiaal van deze opname, die dateert van mei 1996, is van de laatste bezetting in dit kader, met naast de leider cellist Ernst Reijseger, gitaristen Danny Petrowen en Nick Kingo, bassist James 'Sprocket' Royer en drummer Michael Vatcher.
Deze cd is van een andere orde als de cd 'Holocene', die onlangs verscheen van het Michael Moore Trio. Free jazz, stevig, uitbundig, weird, humorvol en met veel instant composing. Dat alles resulteert in een opzienbarend en afwisselend luisterplezier. Moore is hier een klanktovenaar op altsax, klarinet, basklarinet en melodica.
De kwaliteit van het basismateriaal en een topbezetting zorgden voor de rest. Ondanks het feit dat de muziek al ruim tien jaar geleden werd opgenomen, is deze cd nog geheel bij de tijd. Een aanrader voor Michael Moore-adepten en liefhebbers van avant-garde impromuziek die tegen een stootje kunnen.
(Cees van de Ven, 28.9.08) - [print]
- [naar boven]
Willem Breuker Kollektief brengt muzikaliteit en speelplezier
donderdag 18 september 2008, SJU Jazzpodium, Utrecht
Na een ernstige ziekte die zo'n twee jaar geduurd heeft, staat Willem Breuker wederom omringd door al zijn saxofoons op de planken met zijn succesvolle Kollektief. Gedurende die periode heeft het Kollektief niet stilgezeten; zonder zijn leider werden in 2006 en 2007 onder meer theaterconcerten gegeven met zangeres Denise Jannah. Verder was er de theaterproductie 'Sophie Tucker', een samenwerking met Loes Luca. Op het North Sea Jazz Festival is Breukers comback dit jaar van start gegaan. Inmiddels zit hij in een tournee die hem in november naar de Verenigde Staten en Canada zal brengen.
In het SJU Jazzpodium steeg het 'Aha-Erlebnis'-gevoel tot grote hoogte. Vooral bij de talloze aanwezige generatiegenoten van Willem Breuker. Meteen vanaf de aftrap van het onstuimige 'Dorst 2' werd de turbofanfare in gang gezet. Kenmerkend voor Breukers composities en orkestraties is een amalgaam van stijlen - bigband swing, bebop, musical, Wagner, levenslied, tango, circusmuziek – resulterend in een compact en vol brassband-geluid. Veel muziekpapier op de standaards met uitgeschreven noten – uiterst bekwaam neergepend, soms verrassend, soms moedwillig kitscherig, vet georkestreerd – maar relatief weinig ruimte latend voor solo's.
Het 'dollen' van de zeventiger en tachtiger jaren heb ik wel gemist. Het vroegere theatrale, de gein, de onzin, de relativering, het sociale engagement: het was er niet meer. Maar goed, de heren zijn een streepje ouder geworden. Gelukkig zijn de muzikaliteit en het speelplezier niet verdwenen.
Na de nogal plichtmatig uitgevoerde eerste twee nummers kwam, middels een furieuze sopraansaxsolo van Breuker, het Kollektief pas echt op gang. Drummer Rob Verdurmen en bassist Arjen Gorter ranselden achter Breukers tierende en gierende solo. De tijden van de krachtige en energieke free jazz keerden terug. Als contrast soleerde Hermine Deurloo daarna passievol op mondharmonica (in de geest van de oude meester Toots Thielemans) in het gevoelige nummer 'Trouw'. Aandoenlijk was het Sinatra-achtige croonen van Breuker in Gordon Lightfoots 'If You Could Read My Mind'. Een bescheiden, licht ironische performance door Breuker, die - met een glas Spa in de hand - deze commerciële soulsong een nonchalant-laconieke vertolking meegaf. De begeleidende instrumentatie was zeer melancholisch en smaakvol.
Naast de merendeels Breuker-originals werd 'Fables Of Faubus' nogal mat uitgevoerd. Deze compositie van Charles Mingus is een statement tegen de Amerikaanse rassendiscriminatie en wordt in diens diverse vertolkingen met kracht uitgevoerd. Het Breuker Kollektief daarentegen produceerde een nogal brave editie van Mingus' protest classic. Hoe anders was het in 'Bob's Gallery + To Europe', met een sprankelend opgebouwde altsaxsolo van Deurloo en een heftige tenorsaxsolo van Maarten van Norden.
Het orkest, dat na 30 jaar nog steeds een icoon is in de vaderlandse naoorlogse jazzgeschiedenis en tot ver buiten de grenzen bekendheid en bewondering geniet, komt het komende seizoen voor het eerst in zijn bestaan niet meer in aanmerking voor subsidie. Dit orkest dat zoveel goodwill heeft opgebouwd en een belangrijk cultureel exportproduct is (in Amerika kent men Breuker wel, maar Plasterk niet) wordt in zijn bestaan bedreigd. Dat mag niet gebeuren. Laat de jazzfanfare nog lang klinken!
Klik hier voor Maarten Jan Rieders fotoverslag van dit concert.
(Jacques Los, 26.9.08) - [print]
- [naar boven]

Robin Verheyen - 'Painting Space' (W.E.R.F., 2008)
Opname: 2007
Na zijn plaat met Narcissus is 'Painting Time' de tweede cd die de jonge saxofonist Robin Verheyen uitbrengt op het label van De Werf. Met de Amerikaanse toetsenist Bill Carrothers, de Franse bassist Remi Vignolo en de Belgische drummer Dré Pallemaerts bevindt hij zich ditmaal in internationaal gezelschap.
Dat Verheyen sinds midden 2006 in New York woont, heeft er niet voor gezorgd dat zijn muziek uitzinniger geworden is, integendeel. Verheyen en zijn muzikanten spelen vaak gesloten, abstract en bij momenten zelfs ascetisch. Virtuositeit wordt volledig naar de achtergrond gedwongen, samen met dynamische contrasten. De muziek richt zich op melodie en harmonie, wat 'Painting Space' niet meteen tot een schijfje vrolijke achtergrondjazz maakt, waarbij het goed vingerknippen is. Alleen in Wayne Shorters 'Capricorn' wordt er voor een geanimeerde swinggroove gekozen. Bij de meeste andere tracks ligt het tempo eerder laag, als er al van een vast tempo sprake kan zijn.
Als saxofonist vermijdt Verheyen extremen en speelt hij in zichzelf gekeerd, alsof hij zijn weg zoekt en de luisteraar zijn tocht mag volgen. Door deze soberheid krijgen de andere muzikanten volop de kans om hun stempel op de cd te drukken. Vooral Carrothers is nadrukkelijk (maar niet opdringerig) aanwezig: één maal op Fender Rhodes, de andere keren als pianist – al dan niet aan het werk in de klankkast van de piano. Zijn ruimtelijke akkoorden leggen een open basis. Hierop kunnen ook Vignolo en de zoals steeds ritmisch erg onafhankelijk spelende Pallemaerts hun zegje doen. Daardoor wordt 'Painting Space' het werkstuk van een volwaardig kwintet, waarbij de rolverdeling vaak heel vloeiend is.
De harmonische en melodische focus van de plaat komt vooral naar voren in de composities van Verheyen zelf. De soms herkenbare en eenvoudige melodieën worden breed uitgesmeerd, wat vooral in 'Open To Your Love' letterlijk minuten in beslag neemt. Gecombineerd met de vrije metriek en het lichtjes aan- en afrollen van de begeleiding wordt hier de geest van John Coltrane opgeroepen. Echt doorduwen doet Verheyen echter niet, aangezien hij blijft zweren bij korte frases, ook wanneer hij in volle opbouw is. Dat kleine tandje bijsteken had de track en de cd als geheel nog iets meer kracht kunnen geven, een extra dimensie die nu al eens ontbreekt.
Wanneer het kwartet nog verder gaat in de soberheid, zoals in 'Colors In Space' en 'Voice Of The People' (een compositie van Carrothers), wordt de muziek echt ijl. De meest cerebrale track is echter 'Metal Bar – Painting Space', waarin zoveel onuitgesproken blijft, dat wat niet gespeeld wordt minstens even belangrijk wordt als wat er wel te horen is. Wanneer er even niemand echt soleert of de melodie voert, lijkt de muziek stil te staan: niet doods, maar vol spanning.
In het tweedelige 'Facing East' wordt even uit een ander vaatje getapt. De nazinderende inside pianoklanken van Carrothers zorgen voor een mysterieuze onderbouw, die plots plaats maakt voor een stevige drive in de ritmesectie. Het kolken van de begeleiding laat Verheyen in zijn solo haast rondspinnen als een tol, waardoor het kwartet de ruimte even anders schildert. Een welkom moment van afwisseling in een knappe, maar niet voor de hand liggende cd.
Meer horen?
Op de MySpace-pagina van Robin Verheyen kun je luisteren naar twee tracks van dit album: 'Facing East - Part 2' en 'Wherever The Path Leads You'.(Koen Van Meel, 26.9.08) - [print]
- [naar boven]

En Sun Ra zag dat het goed was
Sun Ra Arkestra o.l.v. Marshall Allen, zaterdag 20 september 2008, Paradox, Tilburg
Wie Sun Ra zegt, zegt controverse. Glitterpakken, hoofddeksels van nepgoud en een lowbudgetfilm over rassenongelijkheid maken de gemiddelde muzikant niet geloofwaardiger. Laat staan dat een gerecht met de naam moon stew en albums gewijd aan de muziek van Disney en Batman dat doen. Het zijn allemaal punten van discussie rond 'Sonny' Herman Blount, de zelfverklaarde Saturnusbewoner die van 1914 tot 1993 op aarde verkeerde.
Er is ook de andere kant. Bootsy Collins, Cocorosie, Sonic Youth, John Coltrane, Pink Floyd en zelfs breakdance: allemaal zijn ze op een of andere manier stevig door de grabbelton aan ideeën in Ra's muziek beïnvloed. Het was dan ook een geweldig idee het originele Arkestra, aangevuld met jongere muzikanten, naar Nederland te halen voor een week van drie uur durende concerten. Dit alles in het kader van het ZXZW Festival in Tilburg. En geen minuut te laat; de muziek van Ra is muziek die beleefd moet worden, en de leeftijd van de muzikanten doet vermoeden dat dit de laatste keer geweest kan zijn.
De leiding van het Arkestra ligt tegenwoordig in handen van Marshall Allen (84), de altsaxofonist met de geweldige snerpende toon. Samen met onder meer John Gilmore en Pat Patrick gaf hij jarenlang kleur aan Ra's composities. Nu voert hij schreeuwend en tierend de band aan, waarvan hij sinds 1958 lid is, en die zich deze avond (na eerder deze week klassiek Ra-werk te hebben gespeeld) op standards concentreerde.
En hoe?! 'Way Down Yonder In New Orleans', 'How High The Moon', 'Hocus Pocus' (van Fletcher Henderson, Ra's eerste werkgever) en enkele Ra-klassiekers als 'We Travel The Spaceways': alles werd geklutst en de muziek was immer onverwacht. Zelfs voor de muzikanten, want pas tijdens het concert gaf Allen door wat er gespeeld moest worden, zodat veertien man steeds halsoverkop in de muziekpapieren konden gaan rommelen.
De solo's en de muziek waren van hoog niveau. Vooral Allen zelf was verbazingwekkend. Zijn altsax klinkt nog altijd urgent, en door op een EVI (een soort geblazen synthesizer) te spelen, nam hij de last op zich om Sun Ra's partijen in te vullen. Dit hield het geheel geloofwaardig en deed eigenlijk snel het gemis vergeten. Op die manier leek de band nooit achterom te kijken; de behandeling van het repertoire klonk niet versleten. Net zomin als de bandleden dat zijn: saxofonist Knoel Scott speelde, ondanks een gebroken been, al zijn solo's staand, balancerend op zijn goede been.
Hoogtepunten waren er veel, maar met name de emotionele interlude van Allen en pianist Farid Abdul-Bari Barron was adembenemend. Charles Davis, lid van het Arkestra sinds 1955, is ook nog altijd goed in vorm: zijn doordachte tenorsolo's boden een mooi evenwicht voor het overvolle samenspel.
Aan het eind van de ruim drie uur durende set was er nog wat ruimte voor een medley van 'We Travel Spaceways' en 'Space Is The Place', zodat ook de verwachtingsvolle fan in dat opzicht ook nog aan zijn trekken kwam. Die zal niets te klagen hebben gehad, want het concert was een selectie van alles wat het Arkestra ooit tot de beste bigband van zijn tijd maakte.
(Sybren Renema, 24.9.08) - [print]
- [naar boven]
Lees verder in het archief...