Sheila Jordan - Het meisje met de oren van een miljoen
"Oh shit," zegt vocaliste Sheila Jordan (1928-2025) wanneer ik haar bij wijze van opening de ietwat belegen stelling voorleg dat kunstenaars moeten lijden. "Geen idee - I have no clue. Misschien dat je dan gevoeliger wordt voor je emoties. Wanneer je door een zware periode gaat. Maar zóveel mensen hebben het moeilijk, moeilijker dan ik het zelf ooit zal hebben. Het hoort er allemaal bij. Het is onderdeel van je levenservaring en zo zing je ook in de jazz, maak je muziek. It's about life's experience. Dus dat er op de een of andere manier een verband bestaat kan ik me wel indenken."
tekst: Eddy Determeyer
foto's: Bruno Bollaert & Brian McMillen
De aanleiding voor het onderwerp is de gemene valpartij die de zangeres meemaakte vlak voor haar optreden, met bassist Cameron Brown, in het Groninger Jazzcafé de Spieghel. Daardoor kreeg haar bekken een gevoelige tik. "I broke my ass."
Lijden
Maar Jordan kan van lijden meepraten. Geboren als Sheila Jeannette Dawson in de winter van 1928 in Detroit, groeide ze bij haar grootouders op, van Indiaanse komaf, tussen de kolenmijnen van Pennsylvania. Een vader was er niet en het was thuis bepaald geen vetpot. Vanaf haar derde bood zingen verlichting en dat is altijd zo gebleven.
"Mijn vader heb ik nooit gekend, al trouwde hij met mijn moeder op de dag dat ik ter wereld kwam. Ze stopten mij in een weeshuis. Hij wilde me helemaal niet."
Je was gewoon een ongelukje.
"Ja. Maar ik had ook niet echt een moeder. Ze was te jong en aan de alcohol."
Ze was een meisje van het goede leven dus.
"Klopt. Mijn grootouders hebben mij opgevoed en dat waren ook alcoholisten. Iedereen in de familie was aan de drank. Zoals je weet kunnen indianen niet tegen vuurwater."
Dus dat moest je allemaal ontvluchten.
"Nee hoor. Dat dacht ik. Tot ik in clubs in New York ging werken, waar je geacht werd je met de klanten te onderhouden, met wie je dus ook dronk. Om te kunnen zingen."
Maar goed, dat bier daar - je had er natuurlijk geen Europees bier.
"Nee. Daar drinken ze geen bier! Daar drinken ze whisky. Geen bier!" Mevrouw Jordan moet er onbedaarlijk om lachen. "Stel je voor! Het is zó'n krachtig spul! Ik was heel wat jaartjes aan de alcohol. 29 jaar geleden ben ik opgehouden met de drank."
Je drinkt helemaal niets meer?
"Natuurlijk niet. Alcoholisten kunnen niet gewoon weer een drankje doen. Die kunnen zelfs geen drankje meer mixen. Niet dat ik elke dag dronken was. Ik probeerde wel mijn drinken te beteugelen: nou, eentje dan. En vervolgens dacht ik aan de volgende. Cocaïne heb ik ook gebruikt. Toen ik midden in een droge periode van acht jaar zat begon ik met de cocaïne. Ik was zelf opgehouden met de drank, acht jaar lang. Ik dacht dat je niet aan cocaïne verslaafd kon raken."
Dat is wat mensen dachten - een tijdje.
"Hee, als je verslaafd bent ben je verslaafd. Het maakt niet zoveel uit waaraan. Weet je, ik heb in een programma gezeten, een paar jaar lang. Ik ben niet écht genezen. Want het gevaar ligt altijd op de loer. Maar ja hoor, I am cool, ik heb geen enkele behoefte aan drank. Het maakt me ook niet uit of andere mensen drinken."
Geloof je dat je door deze ervaringen sterker bent geworden?
"O ja, ik ben er wijzer door geworden."
En zie je ook de beweegredenen van de mensen die het allemaal voor de kunst consumeren?
"Ja, al die jaren dat ik gebruikte had ik altijd het idee dat ik er beter door klonk."
Er zijn mensen die beweren dat heroïne hun gevoeligheid versterkt. Dacht je van niet? Werkt het niet voor iedereen anders?
"Ik weet het niet. Bird was Bird geweest, ongeacht wat hij gebruikte."
In Detroit, waar Sheila terug naar verhuisde voor haar middelbare school, groeiden gedurende de eerste oorlogsjaren de raciale spanningen. De oorlogsindustrie trok honderdduizenden arbeiders, vooral uit het zuidoosten van het land. De daarmee gepaard gaande woningnood was de aanleiding voor ernstige rassenrellen in juni 1943. 34 mensen, merendeels zwarten, vonden de dood. Het merendeel door politiegeweld, dat spreekt. Dat maakte diepe indruk op de jonge Sheila: als half-indiaanse had ze altijd verwantschap gevoeld met de Afro-Amerikaanse gemeenschap. Een tijdlang identificeerde ze zichzelf ook als zwart.
"Alleen al zwart zijn is zwaar. Opgroeien tussen mensen die bevooroordeeld zijn. Ten aanzien van wat dan ook, om de een of andere reden - in het algemeen omdat ze een laag zelfbeeld hebben. En zeker in een kleinere gemeenschap. Ik leed eronder dat mensen dat allemaal geloofden, in Detroit, toen ik daar opgroeide."
Hield je niet van die stad, of...?
"Nee hoor, ik hield ervan, ik hield van de muziek. Ik groeide op met Tommy Flanagan en Kenny Burrell en Barry Harris. Ik moest altijd naar het politiebureau, omdat ik met zwarte mensen omging."
Dat vonden ze niet zo tof, toch?
"Dat háátten ze. Maar het punt is dat dat allemaal verleden tijd is. Ik ben blij dat ik alles heb meegemaakt en heb doorgezet. Want de meeste mensen zouden allang afgehaakt zijn wanneer ze dat allemaal hadden beleefd. Die hadden gezegd: dit trek ik niet meer."
"Ik verhuisde naar New York om het te ontvluchten - en ik werd prompt op straat in elkaar geslagen omdat ik in het gezelschap was van twee jong zwarte artiesten. Door drie, nee vier witte kerels in een bar, die stormden eruit en vielen ons aan. En dat was vrijwel voor het gebouw waar ik woonde! Ik lag daar op de grond en ik dacht dat mijn laatste uur geslagen had. I said, I'm gonna die over this."
Door wie werd je gered?
"Een man aan de overkant van de straat, die toevallig een agent in burger was. Die redde mijn leven. Een smeris in burger in Detroit had me weggejaagd. Die haatte zwarte mensen die met blanken omgingen."
"Mijn huwelijk [met de zwarte pianist Duke Jordan] was in die tijd heel uniek. Daar had je er niet veel van. Behalve in de bebop of jazzmuziek."
Grote ster worden
Laten we het hebben over jouw toekomst.
"Mijn toekomst is om een jazz messenger te blijven, een boodschapper van de muziek. Om die levend te houden en jonge mensen te inspireren. Ik heb sinds 1978 jazzles gegeven. Aan jong en oud. Ik droom niet dat ik een Grote Ster ga worden. Als kind wil je danseres worden, wil je op het podium staan, je wilt Fred Astaire worden, Ginger Rogers."
Op haar veertiende hoorde ze altsaxofonist en bopgoeroe Charlie Parker voor het eerst, op een jukebox in haar school. Dat moet een opname met pianist Jay McShann zijn geweest.
"Ik hoorde Bird en dacht, dit is de muziek waar ik mijn leven aan wil wijden."
Een decennium vóór het trio Lambert, Hendricks & Ross vormde ze een trio met twee schoolkameraadjes, dat zelfgeschreven teksten zong op soli van Parker.
Bird was een aardige gast, niet?
"Voor mij was hij geweldig."
Denk je dat hij besefte welke belangrijke kunstvorm hij vormgaf?
"Geen idee. Ik geloof niet dat Bird daarmee bezig was. No, I don't think that Bird realized that he was that whole new jazz messiah."
Was Charlie Parker een zelfverzekerde man?
"O, ik kan niet voor Bird spreken. Ik weet het niet. Ergens zal hij beseft hebben dat hij heel bijzonder was. Dat vertelden we hem ook altijd, weetjewel. Wie weet - ik geloof sowieso niet dat Bird voorbestemd was om lang onder ons te vertoeven. Charlie Parker was hier om ons de weg te wijzen. Hij gaf alles en daarna vertrok hij. Dat heb ik altijd beweerd. Hij was zó uniek en zó anders. He was something else."
"Als ik niet terug was gegaan naar Detroit had ik Bird vermoedelijk nooit gehoord. Dan was ik in Pennsylvania blijven hangen, had een mijnwerker getrouwd en had ik mezelf waarschijnlijk doodgedronken."
"Hij [Parker] was altijd vriendelijk voor iedereen. Charlie Parker had iets liefs. Mij heeft hij nooit besodemieterd. Hij heeft zich ook nooit in seksueel opzicht aan me opgedrongen. Terwijl hij constant in mijn loft kwam. He never ripped me off, leende nooit geld van me, profiteerde nooit van me. Here comes the kid with the million-dollar ears, zei hij."
Interview: Groningen, 23 november 2006