|
Draai om je oren Interview |
home |
||
|
| |||
|
Franz Jackson - Tussen de gangsters en het leger "Toen de oorlog kwam vielen de bigbands uit elkaar," stelt rietblazer Franz Jackson (1912-2008) vast. "Daarna kreeg je de doowoppers. In die tijd werden er ook lange tijd geen platen opgenomen."
"De beste bands vond je in het leger. Artie Shaw, Glenn Miller. Vervolgens werd er belasting geheven als je naar een club ging waar entertainers werkten. Als er gezongen of gedanst werd. Wanneer je dus een rekening van zestig dollar kreeg, kwam daar zes dollar bovenop, afgezien van de fooi. Ze [de regering] probeerden overal geld uit te slaan. [De belasting groeide geleidelijk naar 30 procent.] Toen kwamen de kleinere combo's op. Veel muzikanten werden opgeroepen, wanneer die de juiste leeftijd hadden. Alle gasten die destijds actief waren zaten in dienst. It broke up the big bands, de mensen dansten niet meer. Bop kwam in zwang en daar kon je niet op dansen. Ik werd wel voor bruiloften gevraagd, met drie of vier muzikanten, meer niet. Het ritme was niet langer belangrijk, de mensen wilden liedjes horen. Ze gingen om dixieland vragen, dat ging niet zo snel. Niet zoals bij bop, weetjewel. Je speelde dus liedjes die in de bigband-dagen populair waren." "In de flapper days, na de oorlog, de Eerste Wereldoorlog, zo rond 1918, met 'Ain't She Sweet' en 'The Charleston', wilden de mensen alleen maar lol. De Drooglegging was toen van kracht, dus de mensen gingen hun eigen whisky stoken. Toen ik begon was er nog Drooglegging. De gangsters fabriceerden 'needle beer'. Bier waar alcohol aan was toegevoegd, needle beer werd dat genoemd. Met een naald werd dat in je glas gespoten. Niet dat ik dat ooit gezien heb, maar ik heb ervan gehoord. Ik bemoeide me niet met de gangsters, wist ik veel. Het was dus gewoon bier dat met alcohol was verrijkt." Franz R. Jackson werd in Rock Island, Illinois geboren. Zijn moeder speelde op haar gehoor piano en op zijn vijftiende kreeg hij in Chicago zijn eerste saxofoonlessen van Jerome Pasquall. Die was lid van het orkest van pianist Charlie 'Doc' Cooke, dat in de White City-ballroom resideerde. Zijn formele opleiding kreeg Franz aan het Chicago Musical College. Zijn eerste schnabbel was op een boot die tussen Jackson Park en de Navy Pier heen en weer voer. Daar werkte hij voor fooien en verdiende gemiddeld twee dollar per dag - niet gek voor die tijd en zeker niet voor een jonge jongen. Niet lang daarna kon hij met boogiewoogiepianist Albert Ammons aan de slag. Andere bands in Chicago volgden, waaronder die van Carroll Dickerson en Franky 'Half Pint' Jaxon. In de lente van '33 monsterde Franz Jackson bij het orkest van trompettist Rueben Reeves aan. Later dat jaar maakte hij met dat orkest zijn eerste plaatopnamen. Met zelfstudie had hij leren arrangeren en de vier nummers die werden vastgelegd, 'Zuddan', 'Marie', 'Yellow Fire' en 'Nuts And Bolts', waren van zijn hand. Hier was een volleerde vakman aan het werk. 'Zuddan' is het interessantst. Het sluit aan bij de vogue voor 'exotische' nummers, waarvan Don Redmans 'Chant Of The Weed' (1931) de bekendste is. De klarinet en de altsax van Jackson zijn in korte soli te horen, ingebed in de arrangementen.
"Nee, er werd niet alleen daar [in K.C.] gejamd. Kijk, jamsessies ontstonden toen de bigbands goed op gang kwamen. Als een gast echt jazz wilde spelen kreeg hij in een bigband niet genoeg chorusjes. Afhankelijk van het arrangement kreeg hij misschien acht maten in twee of drie nummers en dan nog eens een keertje zestien maten. Die solo's waren secundair. Maar die gasten wilden dus spélen en een beetje oefenen. Ik zat een tijdje bij Cab en ik kreeg al gauw genoeg van die muziek, dus ik zat daar maar een beetje om me heen te kijken. Maar dat was taboe! Maar ja, wat moest je wanneer je niet kunt blowen. Zo begon het [die after hours jams]. Je eigen whisky "Ik heb een knaap gekend die drank reed. Honderd dollar per trip, bier uit Milwaukee. Dat was snel verdiend: in die tijde werkte je een hele nacht in een club voor vijftien, achttien dollar in de week. Ik kende ook plekken waar je jezelf werd geacht te bedienen. Je bracht je eigen whisky mee. Dan moest je voor de 'set-up' betalen. Met ijs of zo. Het was niet illegaal om whisky bij je te hebben."
"Met de Walter Barnes band werkte ik in een blanke danszaal. Dat was hoogst ongebruikelijk. Very unusual. Wij speelden nooit in blanke ballrooms. Op de een of andere manier had hij zich erin geluld. De jongens moesten wél van de meiden afblijven, dat soort dingen. Maar dat was dus een van de weinige [zwarte] orkesten. Een witte ballroom, geen 'black and tan'. Orkesten van kleur speelden geen witte schnabbels. Dat gold voor alle bands. Maar de blanke jongelui zagen het helemaal zitten! Zelf heb ik daar nooit zoveel aandacht aan geschonken. Het liet me koud. Als ik in zo'n plaatsje werkte bleef ik gewoon waar ik logeerde. Ik liet me niet zien waar witte mensen waren." Een zwarte voor vier dollar "Bij het leger begon de integratie, in de oorlog tegen Japan. Omdat die Jappen zich concentreerden op de witte jongens. Wat gaan we doen, zeiden ze [bij de legerleiding], we gaan ze mengen. That's where it started. Zo werd het leger geďntegreerd. Maar er heerste nog volop vooringenomenheid." "Ik was 4F [niet geschikt voor militaire dienst], ik was te oud en ik was getrouwd. Ze namen alleen ongetrouwde jongens aan. Ik had me voor de mariniers opgegeven, maar ik had platvoeten. Dat was taboe: geen platvoeten. Je moest immers lopen. Ik had de keuze: in inactive service [waarbij de soldaat burger wordt, maar oproepbaar blijft] of werken in de oorlogsindustrie. Zo ging ik bij General Electric werken. Op een gegeven moment was ik daar flauw van en probeerde ik, bij de koopvaardij te komen. Ik had elektronica gestudeerd, misschien kon ik daar iets mee. Maar net op dat moment eindigde de oorlog. Japan had verloren en ik kon een job krijgen bij de USO [United Services Organizations, die entertainment verzorgde voor militairen]." Interview: Chicago, 24 september 1992
|