Op woensdag 22 oktober gaf de legendarische jazzbassist Dave Holland een optreden in de Singer, Rijkevorsel, met saxofonist Jaleel Shaw & drummer Nasheet Waits. Het zou een bijzonder concert worden van een man die niet is weg te denken uit de moderne jazzgeschiedenis. In 1968 werd hij opgemerkt door Miles Davis, die hem uitnodigde om met hem mee te spelen. Holland was betrokken bij iconische albums als 'In A Silent Way' en 'Bitches Brew', waarmee hij mede vorm gaf aan een nieuwe, elektrische richting binnen de jazz. Na zijn periode bij Davis richtte hij zich op avant-garde en eigentijdse jazz. Met Chick Corea, Anthony Braxton en Barry Altschul vormde hij de groep Circle en in 1972 bracht hij zijn debuutalbum als bandleider uit: 'Conference Of The Birds', een album dat tot op de dag van vandaag geldt als een mijlpaal in de moderne jazzgeschiedenis.
Tekst: Maarten van de Ven, december 2025 | Interview: Nico Kanakaris | Foto's & video: Cees van de Ven
Voorafgaand aan het optreden in de Singer had Nico Kanakaris een gesprek met Dave Holland over zijn ontwikkeling als bassist en een aantal mijlpalen uit zijn lange carriëre.
Ik wil graag beginnen in Groot-Brittannië, waar jouw
muzikale reis begon. De skiffle-beweging speelde daar destijds een grote rol;
veel muzikanten zijn ermee opgegroeid. Kun je uitleggen wat die muziek voor jou
betekende?
Ik was een jaar of acht, negen toen rock-'n-roll net opkwam.
Bill Haley was populair in Engeland en Lonnie Donegan was dé grote naam in de
skiffle. We hadden thuis een klein televisietoestel en ik zag hem daar spelen.
Zijn bassist gebruikte zo'n houten kist waarin vroeger thee uit India werd
verscheept, met een bezemsteel en één snaar. Door de steel naar achter te
trekken werd de snaar strakker, en zo speelde hij bas.
Ik woonde toen bij mijn grootouders, mijn moeder en mijn
oom. Mijn oom was handig; hij had een schuurtje waar hij meubels en allerlei
andere dingen maakte. Dus vroeg ik hem: "Kun je zo'n ding voor mij maken?" Dat
werd mijn eerste bas. Ik vond het geweldig om er geluid uit te krijgen. Ik
speelde daarvoor al ukulele, dus de muziek had me eigenlijk al te pakken.
Voor mijn tiende verjaardag vroeg ik mijn moeder om een
gitaar. Omdat ik de ukulele al kende, kon ik sommige greepjes meteen overzetten
op de bovenste vier snaren van de gitaar - die zijn ongeveer hetzelfde gestemd.
Zo leerde ik de liedjes die ik hoorde gewoon op gehoor naspelen.
Later ging ik naar een jeugdclub, waar ik andere gitaristen
ontmoette. We vormden een bandje toen ik dertien was: drie gitaren, een zanger
en een drummer. Na een paar repetities bij een van de jongens thuis zeiden we:
"Eigenlijk hebben we een bassist nodig." Ik riep meteen: "Dat wil ik wel doen."
Dus kocht ik een basgitaar, en dat was het begin.
Ik zie dat vaak: grote bassisten die ooit begonnen als
gitarist.
Dat klopt. Zeker in mijn generatie was de gitaar hét
instrument. Het voelde toegankelijk: je kon al vrij snel wat akkoorden leren en
samen muziek maken, zonder dat je noten hoefde te lezen of een enorme
muziektheorie-achtergrond nodig had.
Ik denk niet dat veel mensen je vragen naar iemand als
Elvis Presley. Was dat muziek waar jij als kind naar luisterde?
Eigenlijk niet zo. Elvis heeft me nooit echt gegrepen. Buddy
Holly hoorde ik veel liever. Ik vond zijn liedjes geweldig. Ik nam mijn gitaar
vaak mee naar school en op het schoolplein speelde ik dan 'Peggy Sue' en
al die andere nummers. En tja... de meisjes vonden dat natuurlijk wel leuk - wat
ook weer een motiverend effect had, al was dat niet de reden dat ik speelde.
Maar goed, muziek betekende al heel veel voor me vanaf mijn
vijfde, en rond mijn tiende, elfde voelde ik dat nóg sterker worden. Toen kwam
die band ook in beeld; voor het eerst speelde ik samen met andere muzikanten.
Dat op zich was al iets heel nieuws: samen muziek maken, samen repeteren.
We zaten vaak met z'n allen om de platenspeler heen,
luisterden naar de nummers en zetten ze dan om in iets dat we zelf konden
spelen. We schreven niets op, we luisterden gewoon en speelden na - dat was hoe
het allemaal begon.
Ik wil even een sprong vooruit maken. We zitten nog
steeds in het Verenigd Koninkrijk, en ik ben zelf opgegroeid - als jongste van
zes - met heel veel progressieve rock in huis. Veel van die bands kwamen natuurlijk uit het VK. En
aangezien jij uit diezelfde generatie komt, vraag ik me af: kende jij destijds
mensen die later zouden uitgroeien tot de grote namen van de progressieve rock?
Zeker, ik heb er wel wat ontmoet. In de omgeving van
Birmingham, waar ik vandaan kom, zat behoorlijk wat muzikale activiteit. De
Moody Blues bijvoorbeeld - die heetten oorspronkelijk Denny Laine and the
Diplomats. In die tijd speelden we in danszalen; ik was toen een jaar of
vijftien, zestien. Meestal traden er op zo'n avond twee of drie bands op, dus
je kwam heel wat groepen tegen die daar actief waren in de Birmingham-scene. Ik
herinner me niet meer alle namen.
Zelfs de Beatles kwamen een keer in hun busje opdagen en
speelden in de danszaal waar wij die avond waren. Ze deden toen vooral Chuck
Berry-nummers en dat soort repertoire, nog niet zoveel eigen materiaal. Dat was
ongeveer een jaar voordat ze echt doorbraken.
Een van mijn muzikale fundamenten - omdat ik de jongste
thuis was - was Keith Emerson. Ik vroeg me af of jij hem ooit hebt zien spelen
toen hij nog jong was, ergens in de buurt?
Niet dat ik me kan herinneren. Het is ook zó lang geleden
dat ik niet meer precies weet wie ik allemaal heb ontmoet. In 1964 verhuisde ik
naar Londen, en daar werkte ik in een Grieks restaurant, waar ik muziek
speelde. Dat was mijn kans om van Birmingham naar Londen te gaan.
Ja, precies. Overigens: ik ben zelf Grieks.
O ja? Wel, in dat Griekse restaurant leerde ik voor het
eerst spelen in ongewone maatsoorten - 5/4 en dat soort dingen. Ik herinner me
die ritmes nog steeds. Omdat ik gitaar kon spelen, vroeg de bandleider - een
Griek die accordeon, bouzouki en saxofoon speelde - of ik samen met hem wilde
spelen. Hij had een extra bouzouki liggen, dus ik zei: "Laat mij maar
meespelen." Zo leerde ik een hele reeks bouzoukisongs met hem, inclusief de
titels, de melodieën, alles.
Prachtig. Misschien is dat later in je carrière zelfs een
soort superkracht geworden - jouw openheid voor verschillende culturen en
muzieksoorten.
Ik heb altijd van allerlei soorten muziek gehouden. Elke
keer als ik iets tegenkwam dat me intrigeerde, wilde ik erin duiken, het
onderzoeken, begrijpen hoe het in elkaar zat.
Dat herken ik, want ik raakte echt verslaafd aan jouw
spel nadat ik de albums van Anouar Brahem ontdekte. Die zijn zó mooi. De manier
waarop jullie met elkaar communiceren was totaal anders dan ik gewend was. En
via die platen kwam ik eigenlijk voor het eerst echt bij het ECM-label terecht.
O, echt? Wauw.
Zo is het voor mij gelopen. En omdat we er toch al over
praten - je hebt ontzettend veel albums uitgebracht op ECM. Ik ben benieuwd
naar de rol van Manfred Eicher in dat verhaal.
Ik zal je vertellen wat er gebeurde. Chick Corea en ik
verlieten de band van Miles Davis in 1971. De reden daarvoor was dat we tijdens
de tournees met Miles steeds vaker trio speelden met Barry Altschul. In die
periode ontmoetten we Anthony Braxton. Hij kwam naar de Village Vanguard, waar
we met dat trio stonden, en na het optreden spraken we met hem. We zeiden: "Kom
morgen naar de loft." Ik woonde toen in een loftgebouw waarin Chick en Dave
Liebman ook woonden. Dus de volgende middag speelden we samen - en dat was het.
Zo ontstond Circle. Dat was meteen de band.
We wilden die muzikale richting verder ontwikkelen, en
daarom besloten we Miles' groep te verlaten. Het contrast was enorm: we gingen
van spelen voor een half miljoen mensen op het Isle of Wight met Miles, naar
optreden voor hooguit acht mensen ergens in San Francisco. Dat was op praktisch
niveau best een uitdaging, maar muzikaal wisten we precies wat we wilden en
hadden we er alle vertrouwen in.
We gingen vervolgens naar Europa, omdat we verwachtten dat
de muziek daar sneller gehoor zou vinden. Uiteindelijk verbleven we er acht à
negen maanden. Kort na aankomst deden we mee aan een project van een producent
van de Duitse radio, Joachim Berendt. Hij organiseerde jazzmeetings waarbij
verschillende groepen samenkwamen: onze band, de groep van John Surman met
Barre Phillips en Stu Martin, en verder onder anderen Albert Mangelsdorff en
Kenny Wheeler.
Tijdens een repetitiepauze speelden Barre Phillips en ik -
we kenden elkaar al - een paar duetten. De zaal was leeg, maar er zat één man
aandachtig te luisteren. Toen we even stopten, kwam hij naar ons toe. Hij
stelde zich voor: "Hallo, ik ben Manfred Eicher. Ik ben net een nieuw
platenlabel begonnen, ECM, en ik vind geweldig wat jullie doen. Zouden jullie
geïnteresseerd zijn om dit op te nemen?" Barre en ik keken elkaar verbaasd aan:
twee bassen opnemen? Wanneer was dat ooit eerder gebeurd? Maar dat was het
begin.
Daarna maakten Chick, Barry en ik als trio de plaat 'A.R.C.'.
Vervolgens werd het Circle-concert in Parijs opgenomen door de Franse radio.
Dat was zo'n mooi optreden dat we de banden konden overnemen en het als album
op ECM uitbrachten. Zo begon het allemaal. Dat moet eind 1971, begin 1972 zijn
geweest.
Mooi om te horen. Ja, dat is eigenlijk een prachtig
verhaal dat je nu vertelt, want ik dacht daar zelf ook aan. Zó’n gedurfde stap
eigenlijk: je speelt op de Isle of Wight met Miles, en dan voel je toch de
drang om iets totaal anders te gaan doen.
Nou ja, in zekere zin was het voor mij een voortzetting van
muziek waar ik in het Verenigd Koninkrijk al mee bezig was. Het voelde alsof er
nog iets onaf was, iets dat ik verder wilde onderzoeken. En dat heb ik in de
jaren zeventig voortgezet, door te spelen met Sam Rivers en Anthony Braxton.
Met Miles ging de muziek een hele andere richting uit -
zoals we inmiddels allemaal weten. In de laatste maanden nam ik zelfs mijn
contrabas niet meer mee op tour; ik speelde alleen nog basgitaar. En dat zat me
dwars, want ik wilde niet vervreemden van mijn instrument. Daarnaast bleef die
vrije, meer open muziek in mijn hoofd rondzingen. Ik voelde dat ik die weg
moest volgen, terwijl Miles duidelijk andere plannen had met zijn muziek,
hoezeer ik zijn werk ook bewonderde en hoe bijzonder het was om met hem te
spelen.
Dus Chick en ik besloten om die stap te zetten. En helaas -
of nou ja, zo liep het nu eenmaal - was het na anderhalf jaar voor Chick toch
niet meer de juiste richting. We woonden toen in Californië; hij ging terug
naar New York en begon aan wat later Return To Forever zou worden. Barry,
Anthony en ik keerden uiteindelijk ook terug naar New York. We begonnen weer
samen te spelen, en ik nam de Conference of the Birds-plaat op.
En daarna volgden jij en Sam Rivers elkaar jarenlang.
Jullie deden ontzettend veel samen. Wat verklaart die sterke connectie?
Toen ik terugkeerde naar New York was ik de laatste die
terugkwam, omdat ik in Californië een vrouw en kind had - je hebt misschien
weleens met Louise gesproken, zij runt nu het managementbedrijf. Ik had dus wat
tijd nodig om geld bij elkaar te krijgen voor de verhuizing. Toen ik eenmaal
terug was, ging Barry al bijna elke middag naar Sams loft om te spelen. Hij
zei: "Waarom kom je niet gewoon mee?" Dus ik ging mee, en we speelden bijna
drie uur non-stop. Pure improvisatie, geen geschreven muziek. Het was ongelooflijk
- en dat was eigenlijk het begin van alles.
Toen Manfred me vroeg of ik een eigen album wilde maken,
vroeg hij wat voor bezetting ik voor me zag. Ik zei dat ik graag een kwartet
wilde: de drie muzikanten uit Circle, omdat daar al een sterke band was, én Sam
erbij, omdat Barry en ik zo veel met hem hadden gespeeld. Dat voelde als twee
werelden die naadloos in elkaar pasten. Ik schreef muziek die voor dat project
zou werken en zo is het ontstaan. Er zat dus al enorm veel geschiedenis in die
groep, nog vóór de eerste opname gemaakt werd.
Ik wil even naar een nummer van jou, van je trio-album
met Steve Coleman: 'Brothers Run'. Heeft dat iets met Sam Rivers te maken?
Ja, het gaat over Sam Rivers. We spelen het misschien zelfs
vanavond - het zit in de setlist van de tour. Het is een eerbetoon aan Sam,
opgebouwd uit drie delen die een beetje weerspiegelen hoe onze optredens met
hem verliepen. Vaak begonnen we met een soort anthem, dan volgde er regelmatig
een groove, en meestal eindigde de set met een snel stuk, of opnieuw een
groove. Ik heb dat in dit stuk ook zo vormgegeven: een openingsthema, daarna
een groove, en tot slot een snel tempo. Het omvat eigenlijk de hele benadering
van dat project.
Kun je iets vertellen over je band met Jack DeJohnette, hoe is die eigenlijk ontstaan?
We ontmoetten elkaar voor het eerst in 1967 in Londen, toen hij met het kwartet van Charles Lloyd speelde. We werden meteen goede vrienden. Ik was na sluitingstijd in een club, waar we nog aan het jammen waren met een aantal Britse muzikanten. Ik speelde met mijn ogen dicht, en ineens hoorde ik iets anders gebeuren op het drumstel. Ik keek op - en daar zat Jack achter de drums. Vanaf het eerste moment dat we samenspeelden, voelde het alsof we elkaar al jaren kenden. Pure magie. Alsof je een oud pak aantrekt dat meteen perfect zit.
Vanaf dat moment zochten we elkaar steeds op. Elke keer dat hij naar Londen kwam - later ook met Bill Evans - hingen we rond en speelden we samen. En op de avond dat Miles Davis mij ontdekte in de club, speelde Jack daar ook, met Bill Evans en Eddie Gomez. Ik vermoed dat Jack een rol heeft gespeeld toen Miles naar me informeerde: "Wie is die bassist?" Ik heb het Jack nooit letterlijk gevraagd, maar ik weet bijna zeker dat er iets in die richting heeft plaatsgevonden.
Hoe dan ook, kort daarna belandde ik opeens op het podium met Miles in New York. Vrienden daar vroegen verbaasd: "Wat is er gebeurd?!" En ik zei eerlijk: "Ik weet het niet - hier ben ik dan."
Even een klein uitstapje. Mijn broer was een enorme Jimi Hendrix-fan. En telkens wanneer ik met iemand spreek die Jimi heeft gezien of met hem heeft gespeeld, móét ik gewoon iets vragen over die ervaring...
Iedereen vraagt ernaar, en ik begrijp dat heel goed. Ik was zelf een enorme fan van Jimi. We waren niet close, maar we zagen elkaar wel af en toe. Op een dag kregen John McLaughlin en ik allebei een telefoontje met de vraag of we naar Electric Ladyland wilden komen om te jammen met Jimi. Hij zat in een overgangsfase - richting Band Of Gypsys - en was op zoek naar nieuwe input. Buddy Miles was er ook bij. Uiteindelijk is dat uitgebracht, ik geloof als bootleg, al was dat nooit de bedoeling. Maar ze hadden het wel opgenomen.
We improviseerden puur op gevoel. Jimi begon iets, wij haakten in, en hij kon zomaar middenin van groove wisselen. Alles was spontaan, niets besproken.
Hij was totaal niet intimiderend. Integendeel: open, vriendelijk, serieus met muziek bezig, en altijd op zoek naar groei. Er werd zelfs gesproken over een mogelijk project met Miles. Dat is er helaas nooit van gekomen door zijn overlijden. Dat verlies was enorm - vergelijkbaar met hoe mensen over Django Reinhardt spreken: wat zou hij nu hebben gedaan als hij was blijven leven? Jimi zat op een steile groeicurve en zou ongetwijfeld blijven vernieuwen.
Laten we even praten over je bigbandprojecten. Wanneer besloot je dat je zo'n project wilde doen?
Ik werd uitgenodigd als 'featured artist' op het Montreal Jazz Festival, waarvoor ik vier verschillende concerten moest samenstellen. Drie daarvan waren duidelijk: met Herbie en Jack, met het Gateway Trio met John Abercrombie, en een soloconcert. Maar voor het vierde wist ik het niet goed. Mijn vrouw Claire, die een geweldige partner was, zei: "Je hebt altijd gezegd dat je ooit een bigbandproject wil doen - waarom nu niet?" Ik zei: "Weet je wel hoeveel werk dat is?" En zij: "Het is maar een uur muziek." Nou, zo makkelijk was het natuurlijk niet, maar ik heb het toch gedaan.
Dat werd mijn eerste bigbandwerk, dat uiteindelijk verscheen als 'What Goes Around'. Tot mijn verrassing werkte het heel goed. Daarna kreeg ik een opdracht van het Monterey Festival. Dat werd 'Monterey Suite', mijn tweede bigbandalbum. We hebben daarna zelfs met de bigband getourd in de VS en Europa. Het was een fantastisch project, mede dankzij de ongelooflijke groep muzikanten.
Billy Kilson was essentieel: ik wilde een drummer die zowel een bigband kon dragen als een kleine groep kon laten klinken. Hij leerde de arrangementen, maar speelde vooral vanuit zijn eigen creativiteit. De kern van de bigband was in feite mijn kwintet: Chris Potter, Robin Eubanks, Steve Nelson... Steve is werkelijk een van de grootste improvisatoren met wie ik ooit heb gespeeld. En een heel bescheiden man; daardoor is hij volgens mij ondergewaardeerd. Mensen moeten écht zijn werk beter leren kennen.
Je hebt het over vibrafonisten. Was het baanbrekende album dat Gary Burton in de jaren zestig uitbracht ook van invloed op jouw ontwikkeling - zeker in die periode rond 'Bitches Brew', toen jij met Miles werkte en Burton met muzikanten als Bob Moses en Larry Coryell nieuwe richtingen verkende?
Ja, de muziek die Gary Burton in de jaren 60 maakte, was zeker belangrijk - net als wat Charles Lloyd deed, en later Miles met zijn elektrische periode. Het was een tijd waarin populaire muzikale elementen hun weg vonden in jazz: grooves, R&B-invloeden, rock. Miles zei soms: "Luister hier eens naar, een James Brown-groove" of iets dat hij net had ontdekt. Het was een volkomen natuurlijke kruisbestuiving. En dat gebeurt nog steeds: kijk naar D'Angelo, of hiphop waarin live-instrumentatie, jazzharmonie en improvisatie naadloos worden geïntegreerd.
Ik wil graag even ingaan op de betekenis van Jimmy Blanton. Want ik hoor eigenlijk niet zo vaak mensen over hem praten. Hoe belangrijk was hij voor jou persoonlijk?
Voor mij zijn Jimmy Blanton en Oscar Pettiford de twee grondleggers van de moderne contrabas. Kort daarna kwam Ray Brown, en die drie hebben het instrument echt verder gebracht.
Ik kende Ray Brown het eerst - en Leroy Vinnegar - maar toen ik dieper ging zoeken, ontdekte ik Blanton natuurlijk, vooral via Duke Ellington. In zijn korte tijd bij Ellington heeft Blanton dingen gedaan die zijn tijd vér vooruit waren. Die duetten... ongelooflijke muziek. Pettiford bracht vervolgens de bebopbenadering op contrabas, samen met mensen als Monk en Parker. Hun techniek en fraseerkeuzes veranderden de baswereld volledig; vooral het gebruik van de linkerhand om noten aan te slaan en te articuleren zoals blazers dat doen.
Veel van die pioniers hadden een klassieke achtergrond. Sommigen overwogen zelfs een symfonische carrière, maar door racisme in die wereld was dat vaak niet mogelijk. Gelukkig voor ons brachten ze hun talent naar de jazz.
Tot slot nog een vraag over je album met Anouar Brahem, 'After The Last Sky'. Wat betekende dat project voor jou?
Dat album is inderdaad belangrijk. Muzikaal, maar ook als statement. Ik wil muziek zelf niet te politiek maken, maar ik vind het wél belangrijk om menselijk te zijn. Iedereen die wordt onderdrukt of slecht wordt behandeld verdient medeleven, ongeacht afkomst of religie. We zijn uiteindelijk allemaal familie; we komen allemaal voort uit dezelfde bron.
Anouars muziek creëert een ruimte waarin mensen kunnen ademen, nadenken, tot rust komen. Tijdens de tour in april was het ongelooflijk om te zien wat de muziek met mensen deed. Onze muzikale én persoonlijke band is in de loop der jaren alleen maar sterker geworden. Hij is een belangrijk deel van mijn leven geworden.
Hieronder zie je een video-opname uit het concert dat het Dave Holland Trio gaf in De Singer, Rijkevorsel op 22 oktober 2025.