Draai om je oren
Interview



home  
    
    
 

Harry 'Sweets' Edison - Altijd feest bij Basie

De gemiddelde muziekliefhebber zal hem (niet) kennen als de anonieme gedempte trompettist die in de periode 1952-1958 bescheiden achtergrondjes verzorgde op veel van Frank Sinatra's Capitol-albums. De jazzfan herinnert zich Harry 'Sweets' Edison als de solist van de 'klassieke' Count Basie band, gedurende de jaren 1938-1950. Opmerkelijk genoeg speelde hij toen vrijwel altijd 'open'; collega Buck Clayton nam de gedempte soli voor zijn rekening.

tekst: Eddy Determeyer, november 2024
foto's: Lionel Decoster e.a.

"Mijn hele leven heb ik in bussen doorgebracht. Maar we hadden het naar onze zin, we waren allemaal jong. Lester Young zat erbij - de Basie band was wat mij betreft het beste orkest ter wereld. Omdat de topsolisten erbij zaten. En we hadden meer vuur dan wie ook. Elke avond was het feest, een en al swing. Lester Young was als je het mij vraagt de tenorist met de meeste invloed, na Coleman Hawkins. Iedereen speelt nog altijd als Lester Young. Zoot Sims is een 'leerling' van Lester Young. Stan Getz - alle gasten van Woody Herman, Richie Kamuca. Alleen Eddie Lockjaw Davis heeft een eigen stijl."

"Buck Clayton had zijn eigen aanpak, ik de mijne. Basie had een fantastisch orkest, just a great band. We speelden allemaal eerste, tweede of derde stem, we waren met z'n drieën. Ed Lewis speelde de meeste leads."

"In die dagen was het een puur genot om vijf-, zeshonderd kilometer te reizen, uit de bus te stappen en aan het werk te gaan. We zagen er echt naar uit om dat podium op te klimmen. Er heerste veel vrijheid en dat paste precies in mijn straatje. Basie gaf je die speelruimte. Het was net een kleine combo. It was very free – hij had nooit aanmerkingen, als je maar speelde. Zelf gedroeg hij zich ook altijd als sideman. Hij gedroeg zich nooit als de leider, was niet autoritair. Je werd geacht op tijd in de bus te zitten, maar iedereen was zó relaxed – die bus wachtte wel. Het was gewoon een groot gelukkig gezin. Dus dat waren de geweldigste jaren van mijn leven. Destijds was ik nog een jong broekje, zeventien jaar. Volgens diverse encyclopedieën ben ik in 1915 geboren - dat moet 1920 zijn. Maar wie maakt het wat uit, leeftijd."

Vooral veel marsen

Harry Edison werd in Columbus, Ohio geboren, waar hij ook overleed, in 1999, aan prostaatkanker. Hij groeide op bij een oom in het vlek Beaver, Kentucky. Later zou hij voor Basie het nummer 'Beaver Junction' schrijven. Er stond een harmonium in huis en daar moest de kleine Harry elke dag wat op spelen, met behulp van een instructieboek dat je via een postorderbedrijf kon bestellen. In Beaver begon hij een bandje met jonge plaatsgenoten. Daarmee werd ook buiten het dorp opgetreden, tot in Indianapolis. Hij was toen acht, negen jaar. In feite was de jonge knaap autodidact.

Intussen bleek een oude cornet die in huis rondslingerde een grotere aantrekkingskracht op de jongeling te hebben. Na wat experimenten op trombone werd de trompet uiteindelijk zijn favoriete instrument. De tien- tot twaalfkoppige band speelde vooral marsen en ander 'licht' spul - geen jazz. Met die muziek kwam hij wel in aanraking en dat smaakte naar meer.

"Er was wel wat dixielandmuziek daar," vertelde de trompettist tegen auteur Stanley Dance. "Ik stond wel eens bij wat we tegenwoordig een dancehall noemen te luisteren. In feite was het een schuur. Ze hadden wat banjo's, een wasbord en een tobbe met een daaruit stekende staaf en snaren, bij wijze van bas. Ze hadden wel wat en iedereen was aan het dansen. Dat was jazz en dat sprak mij wel aan."

Bluesplaten

Intussen was hij met blues in aanraking gekomen, via platen: Blind Lemon Jefferson, Bessie Smith. Die laatste zag hij ook live optreden, begeleid door trompettist Louis Armstrong. Daarna stond zijn besluit vast: hij moest en zou ook jazzmuzikant worden. Op zijn twaalfde keerde Harry naar Columbus terug, waar hij in de Valley Dale ballroom het orkest van Benny Moten zag, met tenorist Ben Webster, trompettist Hot Lips Page en Basie achter de piano. De manier waarop de musici zich kleedden en de aanwezige vrouwspersonen om hun vingers wonden maakte ook veel indruk.

Zijn eerste semiprofessionele band werd geleid door ene Earl Hood. Aanvankelijk werd Edison niet betaald: de leider beschouwde het werk van de jonge muzikant als een soort stage. Hij zat nog steeds op school. De Morrison Grenadiers waren zijn volgende orkestje. In dat octet zaten ook trompettist en arrangeur Sy Oliver, tenorist Joe Thomas en drummer Jimmy Crawford, die niet veel later de ruggegraat van Jimmie Luncefords band zouden vormen.

In de lente van 1934 ontbond pianist Alphonso Trent zijn zeer succesvolle band, wegens ziekte. Diens saxofonisten James Jeter en Hayes Pillars besloten in Columbus een eigen bigband te beginnen. En zo kwam Harry Edison in de 'big time' terecht. Hij speelde dus niet, zoals in veel encyclopedieën wordt vermeld, met de Trent band. "Heb ik nooit gedaan," reageert de trompettist. "Tot mijn teleurstelling, want hij had een geweldig orkest. Hij had ook de meest vooraanstaande solisten. Met een aantal van hen heb ik wel gespeeld. Die waren een toonbeeld van professionalisme. Schitterende muzikanten. Voor die tijd werd er goed betaald. Een Cadillac kostte in die tijd maar vijf- of zeshonderd dollar."

"Met die band trok ik naar Cleveland, met Jeter-Pillars, zo kwamen we ook in Saint Louis. Dat was maar kort en vervolgens New York. Maar bij Jeter-Pillars had ik veel succes en ik vond elke minuut dat ik erbij zat te gek. En nog steeds."

Fantastische danszalen

"Alle orkesten kwamen langs Columbus, Ohio. Daar had je een paar prachtige ballrooms. Echt fantastische danszalen. Daar glipte ik naar binnen, voor Louis Armstrong, mijn favoriete trompettist, mijn idool. Ik zag McKinney's Cotton Pickers, het Ellington orkest, dat van Cab Calloway. Ik hoorde zowat alle bigbands."

"Met die Jeter-Pillars band in Cleveland zat ik net tegen mijn eindexamen aan. Dus toen keerde ik weer terug naar huis om mijn middelbare school af te maken. Ik had toen een beurs om aan Ohio State [University] te gaan studeren, maar die liet ik schieten om me weer bij de Jeter-Pillars band te voegen, in Saint Louis. In dat orkest zaten Jo Jones, Walter Page, die gingen weer terug naar Kansas City om bij Count Basie te gaan werken. Sidney Catlett nam de plaats van Jo Jones over. Clark Terry zat ook in die band. Zelf heb ik nooit platen gemaakt met Jeter-Pillars."

"Met Lucky [Millinder] heb ik één plaat opgenomen, dacht ik. [Volgens Brian Rusts 'Jazz Records, 1897-1942' was Edison in 1937 present bij drie platensessies met de door Millinder geleide Mills Blue Rhythm Band.] In dat orkest zaten Charlie Shavers, Billy Kyle, Tab Smith, o, dat was een geweldig orkest! Hij betaalde alleen niet. Dat is ook de reden dat iedereen opstapte. Charlie Shavers ging naar John Kirby, net als Billy Kyle. O'Neill Spencer zat bij Lucky en ging eveneens naar John Kirby en ik ging dus naar Count Basie.

"Maar destijds verdiende niemand sowieso wat. Toen ik bij Basie kwam kreeg ik 25 dollar in de week, zeven dollar per avond. Dat was al heel wat, destijds."

Beste trompettist ter wereld

"De blanke muzikanten kregen beter betaald, omdat die in de hotels werkten. In het Pennsylvania Hotel, het Edison Hotel, het Lincoln Hotel en dan trokken ze naar Philadelphia, om in weer een ander hotel te gaan werken. En vervolgens naar Chicago, daar had je de Blackhawk en het Sherman. Die hadden veel plekken waar ze konden werken. Wij moesten one-nighters spelen. Dat waren altijd danszalen. Er waren wel danszalen waar bands een week zaten, zoals, es kijken, in Saint Louis, daar had je een dancing die de Tune Town heette. Daar zat je dan vier of vijf dagen. In Chicago had je er ook een. Maar zo waren er niet veel. Wat wij speelden waren one-nighters."

"Vanaf 1952 ging ik in Californië aan platen meewerken. Ik kwam bij de staf van ABC. Toen maakte ik al die platen met Nat Cole, Ella Fitzgerald, Billie Holiday - met haar had ik al in de jaren dertig platen opgenomen. Ik stond op de plaat met Bing Crosby, Dean Martin, Andy Williams, iedereen. In Californië stond ik bovenaan in de telefoonlijstjes."

"Ik heb ook met trompettisten gewerkt die een goede opleiding hadden genoten. Hun feeling was compleet anders dan de mijne. Ik had nooit les gehad, ik speelde gewoon zoals ik me voelde. Rafael Méndez was zo'n trompettist, de beste ter wereld. The world's greatest, he was."

"Die rock-'n-rollzanger verdienen hopen geld - maar zonder talent. Al die Elton John's - daar zou ik nog geen dubbeltje voor over hebben om die te gaan zien. Maar ik zou wel een smak duiten betalen om Frank Sinatra te horen. O ja. Als je het mij vraagt is hij een van de beste zangers ter wereld. O ja. Hij heeft niet meer de stem die hij ooit had, maar hij weet wel wat je met een liedje kunt doen. Ik werk nog steeds met hem, zat op al zijn platen tussen '52 en '58. Met Nelson Riddle. Dat was tof, spelen met hem. Ik heb nog een tournee met hem gedaan voor ik hierheen kwam. Hij weet tegenwoordig meer [dan in de jaren veertig]. Nooit een slecht album en ik heb veel, heel veel platen met hem opgenomen. Elk album was goed. Maar hoe ga je wat hij verdient vergelijken met wat Elton John en Tom Jones vangen? Of de Temptations? Dan hoor ik liever de Mills Brothers. Maar ik ben natuurlijk geen kind meer. Mijn dochter heeft een dochter van dertien, die heeft nog nooit van de Mills Brothers gehoord."

Interview: Groningen, 5 februari 1977