Draai om je oren
 Boekrecensie



home  
    
    
 

Krachtig boek met zwakke plekken

'De kracht van muziek', zeg dat wel. De power en het plezier spatten van de pagina's. Ongeveer zoals auteur Michael Varekamp ook zingt en trompet speelt. Zoals de ondertitel al aangeeft, staan zijn avonturen in New York, de hoofdstad van de internationale jazz, centraal.

tekst: Eddy Determeyer, september 2026
foto: William P. Gottlieb

Hij kwam er voor het eerst als bleu ventje, leerde gaandeweg muzikanten kennen en is inmiddels geaccepteerd als gelijke onder de gelijken. Zo ontmoeten we in dit boek trompettist Roy Hargrove, maar Varekamp beschrijft in zijn boek ook oudere reuzen als Louis Armstrong en Miles Davis, die eveneens in de stad woonden en werkten. Alles is geschreven in een soepele, enthousiaste en enthousiasmerende stijl. In dit verband moet ik ook Varekamps gesproken columns noemen in zijn programma 'Congo Square' op de Concertzender/World of Jazz. De daarin gedraaide muziek, overigens voor het merendeel niet afkomstig uit New Orleans, is eveneens prima voor lijf en leden.

Dit alles is rijk geïllustreerd in het boek - al zijn sommige afbeeldingen wel wat krap afgedrukt, naar mijn smaak. En de eindredactie had ook wat strakker gekund. Maar goed, zelfs in de zogeheten kwaliteitskranten struikel je tegenwoordig over de grammaticale oneffenheden. Een prima en laagdrempelig boek, lijkt mij, om bijvoorbeeld cadeau te doen aan een beginnende jazzliefhebber. En muziektheorie is iets voor op het conservatorium.

Hiphopvader?
Jammer dat er wat storende fouten en misverstanden in staan. Varekamp voert zanger en bandleider Cab Calloway op als de vader van de hiphop. Dat begrijp ik niet echt: in diens vocalen hoor ik geen sporen van rap. Bovendien trad de Cab vooral voor de witte elite van de New Yorkse Cotton Club en andere sjieke gelegenheden op, terwijl je dat van pioniers als Kool Herc, Afrika Bambaataa of de Sugarhill Gang bepaald niet kunt zeggen. Die werden rechtstreeks beïnvloed door The Last Poets, ook niet bepaald een gladgeschoren club. Voor de wortels van de rap moet je mijns inziens terug naar het Virginia van de jaren dertig. Daar maakte het Golden Gate Quartet furore met een stijl die van de regionale Baptistendominees was afgeleid, met hun ritmische interpretatie van Bijbelteksten en swingende sermoenen. Luister maar eens naar 'Noah', van hun eerste platensessie uit 1937, dat in de zwarte gemeenschap insloeg als een bom. Of 'The Preacher And The Bear', van diezelfde dag.

Geen idee waar Varekamp het idee vandaan heeft dat Louis Armstrong dol was op zijn geboorteplaats. '...als zijn drukke agenda het toeliet en hij was in de buurt van New Orleans, dan bracht hij steevast een bezoek aan het weeshuis waar hij opgroeide om daar een dutje te doen op zijn oude lievelingsbankje.' Een prachtig beeld, maar de realiteit is dat Satch New Orleans jarenlang gemeden heeft als de pest. Dat begon in 1931, toen de verloren en inmiddels beroemde zoon een triomfantelijke terugkeer zou maken in de Suburban Gardens. Doch de omroeper liet de dansers in de bomvolle zaal en de luisteraars thuis weten dat hij het niet op kon brengen om "that nigger" aan te kondigen, om vervolgens schielijk het podium te verlaten. Pas met zijn All Stars zou Armstrong er weer regelmatig gaan optreden.

Zwarte intellectuelen, blanke filantropen
Waar Michael Varekamp het heeft over de Harlem Renaissance van de jaren twintig gaat hij nog wat verder de fout in. De Renaissance was een fenomeen waarbij zwarte intellectuelen en blanke filantropen de handen ineensloegen om de Afro-Amerikaanse cultuur en dan met name de literatuur te ondersteunen en te promoten. De aandacht voor de zwarte beeldende kunst, dans en muziek was minimaal. Ja, behalve dan wanneer het zwarte componisten en uitvoerenden betrof die zich - min of meer - in Europese tradities uitdrukten, zoals William Grant Still, Marion Anderson en Paul Robeson. Nou goed, Duke Ellington ook - een beetje. Billie Holiday en Armstrong en Josephine Baker en Count Basie en Fats Waller, die hier als representanten van de Harlem Renaissance worden opgevoerd, kwamen in het feitelijke HR-verhaal niet voor. 'Jazz was definitely not the "high art" that James Weldon Johnson and Alain Locke [twee aanjagers van de Renaissance] were looking for,' schreef Nathan Irvin Huggins in zijn boek 'Harlem Renaissance'. Centrale gedachte achter de Harlem Renaissance was, aan te tonen dat zwarte artiesten het niveau en de diepte van hun witte broeders konden evenaren. Nu, de beweging bracht inderdaad een aantal markante schrijvers en dichters voort, zoals Langston Hughes, Sterling Brown (die ik persoonlijk hoger heb zitten dan Hughes) en Zola Neale Hurston. Van de honderden artiesten die destijds gefêteerd werden waren zij zo'n beetje de enigen die de tand des tijds hebben doorstaan.

Bonnets, feathers
In dit verband kan ik niet nalaten, een anekdote op te dissen die ik uit mijn eigen boek 'Rhythm is our Business: Jimmie Lunceford and the Harlem Express' plukte. Lunceford werd als student aan de prestigieuze Fisk University verliefd op Nina Yolande DuBois, dochter van W.E.B. DuBois, en die liefde was wederzijds. DuBois was tientallen jaren de meest vooraanstaande zwarte intellectueel, publicist en activist van Amerika, in feite tot de dagen van Malcolm X. Lunceford leidde het schoolorkest - en was de beste basketbalspeler van de universiteit. Nou, papa was not amused.
'I am not taking Jimmie very seriously,' schreef de geleerde zijn dochter. Hij was in 1925 ook een van de aanstichters van de Harlem Renaissance geweest. De sociologiestudent zou zich kunnen ontwikkelen tot 'a fine man, but that is yet to be learned.' Voor DuBois diende de zwarte kunst de zwarte zaak te dienen en sport en dansmuziek speelden daarbij geen rol.

Toen Yolande een paar jaar later met de dichter Countee Cullen trouwde, een boegbeeld van de Renaissance, was dat aanleiding voor een feest zonder weerga. 'Not since the convening of the Estates-General at Versailles at the eve of the French Revolution had such a rainbow of hats, bonnets, feathers, and gowns, waitcoats, jewelry, and gleaming footwear been seen,' schreef David Levering Lewis in zijn biografie over DuBois. Het lot besliste dat het huwelijk van korte duur was, al was het alleen maar omdat Cullen homoseksueel bleek te zijn.

Countee Cullen met zijn gezwollen poëmen raakte betrekkelijk snel in de vergetelheid. Tegen die tijd, o ironie, was Lunceford de populairste en meest gerespecteerde bandleider in het Zuiden van de Verenigde Staten. Als het zo uitkwam stuurde hij zijn eigen tweemotorige Cessna Model T-50 van gig naar gig (nadat hij zijn eerste Aeronca in de poeier had gevlogen). Mevrouw Lunceford moest zich tevreden stellen met haar Fairchild.

Doch we dwalen af, merk ik. 'De Kracht van Jazz' is een prima boek, maar bij sommige dingen die als feiten worden gepresenteerd kunnen een paar korreltjes zout geen kwaad.

'De kracht van muziek: In het voetspoor van Michael door New York City', door Michael Varekamp, Willem Post & Ton Wienbelt | Uitgave: Studio 92a, 2026