Draai om je oren
Jazz en meer - Interview



home  
    
    
 

Hans Mantel:
"Het heeft niet zo veel zin mensen jazz door de strot te douwen."

Behalve dat Hans Mantel echt alles over jazz weet, nog steeds hevig platen verzamelt en regelmatig in de diverse formaties te zien en te horen is, is hij een groot liefhebber van pozie, getuige het met groot gemak citeren van een gedicht van Martinus Nijhoff...

door Jacques Los, november 2005

"Omdat ik producer en presentator voor de jazzprogramma's bij de NPS ben, lijkt het alsof ik nauwelijks meer speel. Nou, het tegendeel is het geval. Om maar wat te noemen: deze week speel ik met Piet Noordijk en met mijn eigen kwartet speel ik regelmatig in het buitenland. Als je veelvuldig op de radio en tv bent te horen en te zien, lijkt het alsof je de bas aan de wilgen hebt gehangen. Het muziek maken blijft toch nummer n."

"Omdat ik in Soesterberg in dienst zat ben ik in Utrecht gaan wonen. Nadat ik uit militaire dienst kwam besloot ik naar het conservatorium te gaan. In 1980 heb ik n jaar op het conservatorium in Rotterdam gezeten en daarna ben ik naar het conservatorium in Den Haag gegaan. In 1987 ben ik afgestudeerd. Tijdens mijn conservatoriumperiode speelde ik al in alle mogelijke bandjes. Ook omdat er niet zo veel bassisten op de opleiding zaten, had ik het behoorlijk druk met spelen. Dat is zo gebleven tot aan de dag van vandaag. In die periode speelde ik met jaargenoten als Robert Jan Vermeulen, Bram Wijland, Berend van den Berg, Joep Lumeij, Karel Boehlee, Toon Roos, Ben van den Dungen en Jarmo Hoogendijk. Van veel andere mensen die destijds de opleiding deden, hoor je niets meer. Waar ze gebleven zijn en wat ze doen? Ik weet het niet. Misschien hebben die mensen hun weg gevonden in de periferie van de muziek, bijvoorbeeld werkzaam bij een boekingskantoor of cultureel centrum. Ik denk dat veel mensen de opleiding deden omdat ze muziek maken wel 'leuk' vonden. Zelf werd ik gedreven door een enorme passie. Volgens mij heb je dat nodig om in de muziek door te gaan en iets te bereiken. Ook moet je een bepaalde mentaliteit hebben om door te blijven gaan in het toch wat onzekere muzikantenbestaan. De gelukkigste tijd in mijn leven is wel de tijd dat ik op het conservatorium zat. Ik was daar continu met muziek bezig. Dat was het enige dat ik wilde. Ik was ook omringd met mensen die datzelfde wilden. De mogelijkheden om muziek te maken waren ook legio. Je was zo bezeten met muziek bezig dat de wereld om je heen helemaal niet meer bestond."

"Door de jaren heen heb ik ontzettend veel Amerikaanse en andere buitenlandse musici begeleid. Ik was, zoals mijn leraar en mentor Ray Brown zei, altijd op het goede moment op de goede plaats. Ik had destijds wel een lijstje in mijn hoofd met wie ik graag zou willen spelen, maar die lijst met namen is wel tien keer langer geworden. Ik heb het altijd heel prettig gevonden als sideman te werken. Dat betekent dat je met alle mogelijke mensen verschillende dingen speelt. Ik heb het altijd leuk gevonden steeds andere dingen te spelen, van Dutch Swing College en Pia Beck tot Wim Overgaauw en Willem Breuker. Je wordt dan snel in Nederland gestigmatiseerd. Als je veel speelt, ben je gelijk een schnabbelaar. Maar goed, ik deed echt alles omdat ik het allemaal erg leuk vond."

"Na mijn afstuderen kreeg ik de gelegenheid in Madrid te spelen in de huisritmesectie van een beroemde jazzclub, Caf Central. Dat betekende zeven dagen in de week spelen. Twee sets van 22.00 tot 24.00 uur. Al de bekende en beroemde Amerikaanse muzikanten kwamen daar voorbij, zoals Etta Jones, Chet Baker en George Adams. De publieke belangstelling was in die tijd enorm. Iedere avond speelden we voor een volle bak. Wat ik ook veel gedaan heb, was spelen op de jazzsessies in het Bel Air Hotel tijdens het North Sea Jazz Festival. Met Wynton Marsalis en Roy Hargrove heb ik daar gespeeld. Zoals die dingen dan gaan; je praat met ze, je krijgt contacten en dat resulteert weer in speelmogelijkheden en zelfs tournees, zoals met Phil Harper. In de Spiegeltent heb ik meerdere concerten met bekende mensen gedaan, waaronder Stanley Turrentine, Frank Foster, James Moody en John Scofield. Als je maar vaak genoeg in dat soort van ad-hocformaties speelt dan weet je hoe de dingen gaan en bouw je een grote repertoirekennis op. Je wordt er erg handig in en als het allemaal lekker gaat, dan raak je bekend in het muzikantencircuit en word je bijna vanzelf gevraagd te komen spelen als Amerikanen naar Europa komen. Behalve met de reeds genoemde musici heb ik gewerkt met George Benson, Barry Harris, Warne Marsh, Teddy Edwards, Red Holloway, Hod O'Brien, Joshua Redman, Frank Morgan, Slide Hampton, Clark Terry en Bennie Wallace."

"Ik heb eigenlijk nooit vast in een groep gespeeld. Het is wel zo dat het 'diepte' kan geven in een vaste groep te spelen, maar dan moet het wel erg geweldig en fantastisch en inspirerend zijn. Het leuke vind ik toch om drie keer in de week met verschillende mensen te spelen. De afwisseling vind ik namelijk een belangrijk onderdeel van jazzmuziek. De jazz is zo verscheiden. Ik vind het geweldig in een big band te spelen of als ander uiterste een duet te doen met een zangeres. Een pianotrio vind ik ook geweldig. Alle stijlen en alle bezettingen vind ik leuk. Ik wil me daarom ook niet beperken tot een enkel ding. Het is niet onverstandig om veelzijdig te zijn. De laatste jaren is het met de speelmogelijkheden niet al te best gesteld. In de tijd dat ik begon was het ook niet al te denderend, de radio-orkesten en het studiowerk waren zo goed als verdwenen, maar er waren nog wel clubs en jazzpodia. Nu zijn daar aardig wat van verdwenen. Vroeger kon je bijvoorbeeld in Den Haag vijf tot zes jazzoptredens bijwonen. Nu is er bijna niets meer. Daar komt nog eens bij dat je vaak voor te weinig geld moet spelen en dat frustreert enorm."

"Ik ben bij de radio gekomen toen ik destijds in de VPRO-gids las dat er een nieuw radiostation in Nederland ging komen. Dat station heette Classic FM en had een radiofrequentie gekregen, op voorwaarde dat ze 60% klassiek en 40% jazz zouden uitzenden. Nu moet ik er bij vertellen dat ik mijn hele leven al platengek ben geweest. Ik zat altijd al platen te draaien, de te lezen en dingen uit te zoeken. Dus: discofiel tot en met. Ik dacht toen 'zou het niet leuk zijn platen te draaien voor de radio'. Ik wist natuurlijk niets van plaatjes draaien voor de radio, maar ik heb toen direct een brief geschreven met de inhoud: 'als jullie naar Nederland komen hebben jullie mensen nodig en voor de jazz ben ik degene die jullie goed kunnen gebruiken'. Ik heb toen auditie mogen doen en ben aangenomen. De zender werd in Almere gevestigd en werd ik eindredacteur van de gehele jazzprogrammering. Het was te gek. Ik vond het fantastisch! Wat is er niet leuker dan beroepshalve platen te draaien?! Ik kon niet wachten iedere dag naar de studio te gaan. In die tijd bleef ik wel erg veel spelen. De radioprogramma's werden 's middags opgenomen, dus 's avonds stond ik op de bhne. Die combinatie was fantastisch. Ik kon het goed combineren, want ik vond het radiowerk heerlijk. Ik ging dan ook dagelijks kraaiend van plezier naar de studio. Plotseling was het echter afgelopen. Classic FM kwam in handen van Sky Radio en ik kreeg te horen dat er geen plaats meer was voor jazz. Van de ene dag op de andere kon ik mijn biezen pakken. Dat heeft me ontzettend aangegrepen. Het was erg zuur. Ik vond namelijk dat ik goede programma's maakte en vond het ook verschrikkelijk leuk te doen."

"Gedurende mijn leven heb ik een, twee jaar durende, depressie gehad en dat was toen het werk voor Classic FM ophield. Toen ik in datzelfde jaar op North Sea speelde met Wynton Marsalis, Peter Martin en Ali Jackson, begreep ik dat er met mij iets aan de hand was. Marsalis speelde te gek, het publiek was reuze enthousiast de zaal op zijn kop en ik keek verveeld op mijn horloge of het nog niet afgelopen was. Nog een half uur spelen. Krankzinnig, dat je zoiets denkt tijdens zo'n inspirerend optreden. Dat was dus niet ok en toen wist ik dat er iets mis was met me. 's Maandags ben ik direct naar de huisarts gegaan. Hij zei: 'Meneer, u hebt een depressie'. Op weg naar huis, en het me dan goed realiserend, kwam het allemaal als een baksteen op m'n nek terecht. Desondanks ben ik door blijven spelen en vrijwel direct daarna bij Jazz Radio terechtgekomen. Dat Jazz Radio was een klein Amsterdams radiostation. De interesse voor jazz was minimaal. Ik zat daar in een klein hokje mijn programma's te maken, maar werd daar zeer verdrietig van. Het ging de eigenaren er alleen maar om te zijner tijd de etherfrequentie voor veel geld te verkopen. Dat is dus uiteindelijk ook gebeurd. Het waren hufters. Via Lodewijk Bouwens, die toen direkteur van de Wereldomroep was, heb ik daar wekelijks een twee uur durend livejazzprogramma gehad dat in geheel Europa, Zuidoost-Azi en de Caribian werd uitgezonden. Zo'n zes jaar geleden kwam Co de Kloet naar me toe of ik niet voor de NPS een jazzprogramma wilde doen. Tot op heden ben ik zowel op radio als tv te zien en te horen bij de NPS. Ik krijg daar ook de ruimte eigen ideen uit te voeren."

"Het is misschien wel jammer dat de jazzprogramma's op een laat tijdstip worden uitgezonden. Aan de andere kant betwijfel ik of er bij uitzendingen op een gunstiger tijdstip meer mensen zullen luisteren. Jazz is muziek voor een klein publiek. Ik denk dat het moeilijk is mensen tot de jazz te bekeren. Wij, als jazzliefhebber, kijken vanaf een hoge muur naar beneden naar die mensen en die kijken naar ons, omhoog. Dat is wel anders. Soms staat mijn verstand stil bij hoe mensen over jazz denken. Ik zal nooit de Zomergasten-uitzending vergeten met Sylvia Tth. Zij liet een voorbeeld horen van pianomuziek van Art Tatum. Adriaan van Dis begon daar doorheen te praten. Tth vroeg hem even stil te zijn waarop van Dis, zonder een spoor van ironie, antwoordde: 'maar dit is toch muziek die bedoeld is om doorheen te praten?!' De gemiddelde Nederlander denkt wel een beetje op deze manier over jazz en dan nog zo wat van die vooroordelen: 'jazz kan alleen door negers gespeeld worden', 'het gaat toch over drugs en drank', 'het is van die zenuwenmuziek', 'ik begrijp het niet, het is zo experimenteel' en 'ik kan er geen touw aan vast knopen'. Het heeft dan ook niet zo veel zin mensen jazz door de strot te douwen. Je moet proberen de omstandigheden te creren waardoor mensen naar jazzconcerten gaan. Ik probeer in mijn programma's een prettige, relaxte sfeer op te roepen."

"In 1992 ben ik muziekwetenschappen gaan studeren en ben zo langzamerhand anders tegen de dingen aan gaan kijken. Soms pessimistischer, maar ook veel realistischer. Je moet niet denken dat, als je iedereen een Parkerplaat cadeau doet, iedereen jazzliefhebber wordt. Volgens mij werkt het alleen maar als mensen het zelf ontdekken. Op het North Sea zeg ik vaak tegen mensen: 'loop eens een kleine zaal binnen'. Er is namelijk zoveel meer dan die bekende grote acts in de Statenhal. Dat zeg ik ook in mijn radioprogramma's die gewijd zijn aan het North Sea Jazz Festival. Natuurlijk realiseer ik me dat je geen werkelijk groot publiek voor de jazz zult genereren. De tijd is nu ook anders. Vroeger was jazz een afgebakende muzieksoort. Nu is er een mix met andere genres die resulteert in fusion en crossover. Dus wereldmuziek met een scheutje jazz, en pop- en rockmuziek met jazzimprovisaties. Veelal gaat de kijk- en luisterervaring van het doorsnee publiek niet verder dan de buitenkant. Is het leuk en aangenaam wat ze zien en horen? Is de sfeer ok? Dat soort dingen. Veel verder gaat de beleving niet. Maar jazz is meer. Jazz is kunst. De kunst van het improviseren, het samenspelen, de al dan niet complexe harmonien, de technische vaardigheden. Het is toch niet verbazingwekkend dat het gros van de mensen zich daar niet in verdiept?! Hoewel jazz als amusement geconsumeerd kan worden, is het tegelijkertijd een echte kunstvorm in de diepste betekenis van het woord."

"Met de avant-garde jazz uit de zeventiger jaren heb ik heel weinig. De avant-gardisten van toen vonden dat wij conservatoriummuziek speelden. Dat was natuurlijk kinnesinne, want zij konden amper spelen. Ik sluit me aan bij Ben van den Dungen, die zei: 'er is geen schande in goed opgeleid te zijn'. Achteraf gezien heeft die scene weinig opgeleverd. Het is allemaal ter ziele gegaan en heeft, anders dan een demonstratie van dwarsigheid, niets blijvends achtergelaten. Ik hoorde laatst Tetzepi. Nou, dat is van een vlakke concertante vervelendheid waar totaal geen energie in zit, met gecomponeerde dwarse klankjes die door bijvoorbeeld Debussy al bedacht waren. Het voegt helemaal niets toe. In de NPS-archieven ben ik die zeventiger jaren orkesten wel tegen gekomen, zoals Leo Cuypers in de 'Zeeland Suite'. Dat was n noot spelen ergens op een dijk en dan weer de hele boel inpakken. Wat een onzin! Wat is daar nou van overgebleven?! Ik heb pas respect voor iemand als hij kan spelen. Ik vind dat je een reservoir aan mogelijkheden moet hebben om je verhaal te vertellen. Bij veel van die avant-gardisten ontbreekt dat. Ik vind die muziek van toen ook een soort van 'niet-jazz'. Daarentegen vond ik een groep als Art Ensemble Of Chicago zowel muzikaal als visueel erg goed. Ik vond het een geweldige ervaring die groep bezig te zien. Hetzelfde geldt voor Sun Ra. Een bijzonder goed orkest met die fantastische tenorist John Gilmore. Het orkest speelde regelmatig stevige swingnummers van Fletcher Henderson. Daaruit spreekt besef van traditie en respect voor die traditie. Iemand als Coltrane kan voor mij ook niet stuk, al speelt hij met belletjes of met zijn vrouw Alice. Hij heeft de jazz blijvend veranderd en is wat mij betreft boven alle kritiek verheven. Maar de free jazz heeft zichzelf de das om gedaan. Vrijheid zonder kaders is geen vrijheid. Als je blijk geeft van ambachtelijke onkunde, geef je blijk van een gebrek aan communicatiemogelijkheden en dan ben je niet meer geloofwaardig. Misha Mengelberg is overigens wel iemand waar ik respect voor heb. Hij krijgt van mij alle credits. Hij doet vaak zeer verrassende dingen en dat vind ik leuk. Ik wil graag verrast worden. Ik zou best graag met hem willen spelen."

"Verrast worden, het onverwachte, het komt ook voor in de pozie. Ik krijg kippenvel van het bekende gedicht van Nijhoff, 'Het kind en ik'. Dat reservoir van woorden en de toepassing daarop:

Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.

Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.

Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel,
herkende ik, was van mij.

Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.

En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.


Dat is wat ik bedoel; 150.000 woorden kennen en het dan z in 20 regels opschrijven. Een gecompliceerd idee of denkbeeld met zo weinig woorden tot leven laten komen."

"Het leukste interview dat ik ooit heb gehouden was op North Sea met Archie Shepp. Het is nog niet uitgezonden. Ik weet ook niet of dat gebeurt. Wie zit op een half uur durend interview te wachten?! Shepp hield niet op met praten. Het klikte enorm. Ik vond het een enorm inspirerende man. Je beseft ook dat hij uit de jazztraditie komt. Hij zet zich ook niet af tegen die traditie. Hij behoorde in de jaren '70 tot de nieuwlichters, maar al geruime tijd speelt hij bopliedjes en zingt hij de blues. Hij is een integere original."

"Ik heb een goed contact met iemand uit India en heb daardoor regelmatig een tournee in het Verre Oosten. Dat doe ik dan met mijn kwartet, bestaande uit Ed Verhoef, Miquel Martinez en Wim Kegel. Volgende maand ga ik overigens met een andere bezetting onder anderen Jasper Soffers en Maarten Ornstein - naar India. Dat zijn leuke dingen. Wat de Nederlandse podia betreft is de situatie verre van ideaal. Nederland is te klein. Je moet je minimaal op Europa richten. Gelukkig ben ik nu in de positie dat ik niet meer hoef te doen wat ik niet wil. Dat was vroeger anders. Toen moest ik veel spelen voor de centen. Dan speelde ik zelfs in het Amsterdamse Alto voor amper 100 gulden. Momenteel is Bob Hagen (Jazz Impuls) bezig diverse groepen in de schouwburgen te laten spelen. Het is goed dat jazz te horen is in situaties waar je 'keurige mensen in een pak op een groot toneel voor een volle zaal met zittende mensen ziet spelen'. Tegelijkertijd is het heel belangrijk dat je in een situatie kunt spelen waarbij de mensen kunnen dansen. Jazz is toch ook feelgood music?! Benjamin Herman heeft, wat dat laatste betreft, het heel goed begrepen. Met het New Cool Collective altijd voor een volle zaal, weet je. Wat Ben dus feitelijk doet is jazz als popmuziek verkopen. Een goede zaak. Dat doet die Jamie Cullum die ik overigens niet bijzonder vind - ook."

"Wij zijn van de tijd dat de reuzen nog over de aarde liepen. De reuzen van de jazz. In mei volgend jaar moet ik de bhne van het Concertgebouw op om Sonny Rollins aan te kondigen. Dat is dus nog zo'n reus, weet je wel. Hij is van een angstwekkende grootheid. De laatste van de allergrootsten. Maar... zijn nieuwste plaat is niet te vreten, zo slecht. Het is gewoon niet goed meer. Ik kom daar ontzettend mee in conflict. Ik ben het eens met zanger Wim Koopmans. Die zei: 'eens een fan altijd een fan; al maakt Rollins een plaat waarop hij alleen maar zit te klaverjassen, dan koop je hem toch'. Maar als je nu hoort dat het niet meer zo best is en het allemaal behoorlijk beverig klinkt, wat moet je dan?!"

"In omroepland ben ik in zekere zin een vreemde eend in de bijt. In twee opzichten. Er is een generatie van oudere radiovogels voor mij - Cees Schrama, Lex Lammen, Joop van Zijl, Aad Bos en Michiel de Ruyter - dan gebeurt er een tijdje niks en dan is er Mantel, in een volslagen gesoleerd landschap. Er is niemand van mijn leeftijd die op die manier aan jazz doet en ik zie ook nog geen jongeren verschijnen. En ten tweede: ik kom ook nog uit het vak, ben zelf muzikant en dat geeft je toch een ander soort diepte."

"Ik ben ooit begonnen met trombone spelen, een aantal weken, en daarna ben ik overgestapt op de saxofoon. Dat heb ik een paar jaar gespeeld. Ik zat in die tijd ontzettend veel platen te draaien. Mijn vader was jazzliefhebber en had een behoorlijke collectie jazzplaten, waaronder Django Reinhardt, George Shearing, Lee Konitz, Warne Marsh, Davis, Coltrane en Oscar Peterson. Ik heb mijn jeugd al platen draaiend doorgebracht. Ik heb alles gehoord wat er te horen was. Mijn vader hield mij weg van dixieland, maar ik was gefascineerd door het concept van vier toeters in een schijnbare chaos, bijvoorbeeld Eddie Condon en Bud Freeman. Ik begon toen zelf dat soort platen te verzamelen, zoals de Dutch Swing College. Op een gegeven moment hoorde ik uit de verzameling van mijn vader de plaat 'We Get Requests' van Oscar Peterson, waarop een lekker swingende blues stond. Ik werd me toen voor het eerst bewust van de functie van de bas in dat trio. De bassist was Ray Brown en voor mij ging de hemel open. Ik wilde nog maar n ding: zelf bas spelen."

"Mijn leven lang ben ik een fanatieke jazzliefhebber geweest. Een soort allesverterende obsessie was het. En van mijn favorieten is tenorist Warne Marsh. Ik heb bij wijze van spreken die muziek in mijn zak zitten. Ook tenorist Wardell Gray bewonder ik enorm. Gray is feitelijk Lester Young, maar dan bebop. Het swingt heel hard op een hele elegante manier. Ik weet ook zeker dat Dexter Gordon als Gray wilde spelen. Andere tenoren die ik ook te gek vind zijn Johnny Griffin, Coltrane en Yusef Lateef. Die laatste heeft ooit een fantastische plaat gemaakt met Nat Adderley, Barry Harris, Sam Jones en Louis Hayes. Formidabel. Waar ik trouwens helemaal niets mee heb is Stan Kenton. Wat pompeus en potsierlijk. Daar krijg ik een spontane kopervergiftiging van."