Draai om je oren
Jazz en meer - Interview



home  
    
    
 

Harry Emmery

Harry Emmery
Huisbassist van het North Sea Jazz Festival

Exact tachtig keer concerteerde bassist Harry Emmery, docent op het Utrechts Conservatorium, op het North Sea Jazz Festival; soms drie keer per dag. Hij werkte er met talloze excentrieke, arrogante, beminnelijke en geniale musici. Nederlands meest flexibele bassist.

door Jeroen de Valk, juli 2003

Ze droeg een nauwsluitende glitterjurk die haar corpulente postuur zonder enige terughouding deed uitkomen, en een pruik die ze bij het slotapplaus als een hoed afzette. Ze heette Dorothy Donegan, gaf excentrieke pianoconcerten en was op het North Sea Jazz Festival van 1977 de vuurproef van een jonge Nederlandse bassist: Harry Emmery. Emmery: "Pas drie minuten voor we op moesten, verscheen ze in de kleedkamer. De drummer en ik kregen nog net de gelegenheid haar een handje te geven. We hadden geen id wat ze ging spelen. Nou, dat mens speelde dus lles: van Chopin tot de Tiger Rag en dan weer helemaal terug. En ik moest alles maar zien te begeleiden. Puur op het gehoor, want er was geen bladmuziek, en van repeteren was al heleml geen sprake. Maar het ging prima; voor mij was het gewoon een kwestie van goed luisteren en de juiste noten vinden." Het publiek reageerde uitzinnig, en Donegan was dat jaar de grote ontdekking van het festival. Het jaar daarop moest ze terugkomen, en een jaar later wr, steeds in een grotere zaal van het Haagse Congresgebouw. Emmery: "Uiteindelijk hebben drummer Eric Ineke en ik haar vier, vijf keer begeleid; de laatste keer stonden we in de enorme, pluchen PWA-zaal. Op een gegeven moment zei ze: "And now, we're gonna feature our bass player in 'Satin Doll'." Daar hadden we niets over afgesproken, maar goed; dat stuk kende ik wel. Ik wist me er uit te redden.''

Dorothy Donegan (1924-1998) is niet meer onder ons, maar met Harry Emmery (1951) gaat het prima. Vooral sinds hij, midden jaren zeventig, door de organisatie van het North Sea Jazz Festival werd ontdekt. Hij werd al spoedig in allerlei formaties ingezet, hetgeen culmineerde in maar liefst negen(!) optredens op de edities van 1979 en 1983. Zowat alle Amerikaanse en Nederlandse solisten die geen eigen bassist hadden meegenomen, werden Harry toegewezen. "Op het komende festival speel ik er voor de 81ste keer; ik sta op zaterdag in de Van Gogzaal met Piet Noordijk. Daarmee ben ik recordhouder, geloof ik. Mijn vrouw, die de boekingen doet, heeft dat opgemerkt en met de festivalorganisatie gebeld. Ze hadden er nog niet bij stilgestaan, en zelf let ik ook niet op dat soort dingen. Ze hebben beloofd: 'We gaan er iets aan doen!' Maar ik mag nog niet weten wt."

In de loop van zo'n druk festival - drie concerten per dag - kom je "in een soort roes" terecht, constateert de bassist. "Je krijgt nauwelijks de kans tot rust te komen, maar je speelt wel met waanzinnige muzikanten. Beroemdheden die je alleen van platen kende; opeens sta je naast ze. Het enige probleem voor mij was om met bas en versterker op tijd van de ene naar de andere zaal te komen. Ik moest iemand zien te charteren om de versterker te dragen, en iemand die vooruit liep om de mensen in al die gangen opzij te laten gaan. Zie je maar eens tussen al die menigtes door te wurmen. Ik weet nog dat ik bij Frank Foster weg moest hollen gedurende het slotapplaus, omdat ik met Al Grey moest spelen. Daar waren ze al aan het eerste nummer begonnen, toen ik de bas op de versterker aansloot." Tussendoor lette Emmery goed op de monitors, de televisieschermen die overal in het immense zalencomplex waren opgesteld, want daarmee werden soms invallers opgeroepen. 'Harry Emmery, 23.00 uur melden in de Faya Lobbi Zaal', stond daar dan op te lezen. De honoraria werden uitgekeerd in de 'betaalkamer', een hokje in de 'spelonken onder het gebouw', waar twee jongens achter een tafel zaten. "Je moest er zelf heen gaan, en er werd per concert afgerekend. Ik ben daar nog een keer lelijk verdwaald, toen ik er met een enorme zak geld liep te sjouwen. Ik voelde me net Dagobert Duck."

Waar moet je over beschikken om zo breed inzetbaar te zijn? Tempovastheid natuurlijk, een precieze intonatie en een aanzienlijke repertoirekennis. "Je moet veel stukken kennen, liefst in allerlei toonsoorten. Want dat wordt van je verwacht. Je mag blij zijn als er nog een titel en een toonsoort wordt omgeroepen; meestal spelen ze direct een intro en moet je maar zien. Wat je niet kent, moet je zo snel mogelijk oppikken, als er geen bladmuziek is. En chorus, en alle noten moeten raak zijn." Veel ervaring deed Emmery op gedurende een engagement van vier maanden in een Haagse nachtclub. "Ik had nog maar heel weinig jazz gespeeld, toen gitarist Joop Scholten mij belde voor die schnabbel. Dat was in 1973. Hij kon op korte termijn niemand anders vinden, en had via-via mijn telefoonnummer gekregen. Uiteindelijk hebben we daar mnden gezeten, iedere nacht van elf tot vier uur. Ik kende in 't begin alleen de blues en 'Autumn Leaves', maar Joop vond het prachtig. "Je bent nt Ron Carter," zei hij. Daar had ik nog nooit van gehoord." Een zekere stressbestendigheid kan ook geen kwaad. "Mijn vader, die dertig jaar lang cello speelde in het Rotterdams Philharmonisch Orkest, raadde mij af in de muziek te gaan. Dat vak zou te zware eisen stellen, muzikaal en mentaal. Maar op 't podium ben ik voor niemand bang. Ik weet wat ik kan, en ik benader mensen rustig. Als anderen zenuwachtig doen, ga ik daar niet in mee. Ik hoor wel eens zeggen dat ik mensen kalm lijk te maken."

Harry Emmery besloot rond 1990 het bestaan van sessiemuzikant vaarwel te zeggen. Hij verhuisde naar een boerderij bij het Drentse dorp Ruinerwold om een reden te hebben slecht betalende schnabbels niet aan te hoeven nemen. "Nou, dat is gelukt. Ik speel nu zo'n honderd keer per jaar; dat is meer dan genoeg. Je ziet ook, dat al die Amerikaanse solisten - voor zover ze nog leven - hun eigen bassist meenemen. Ik doe nu ook werk als producer, en ik geef les op het Utrechts conservatorium; ik leid de bigband, geef combolessen en heb een paar bassisten onder mijn hoede." Hij wil vooral worden gevraagd als leider en solist. "Met mijn vrouw Terry hebben we The Great Female Voices opgezet: mijn trio en een hele stoet uiteenlopende zangeressen. We gaan daarmee een theatertournee maken in het seizoen 2004 - 2005." Zijn eigen spel onderscheidt zich dankzij een zelfbedachte techniek: het thumbing. Dat klinkt enigszins als funky basgitaarspel en is te horen in zijn duo Bass To Bass, met Concertgebouw-bassist G Vrijens. "Ik word nu gebeld omdat ik Harry Emmery ben; zo hoort 't ook."

Dit artikel verscheen eerder in Utrechts Nieuwsblad/Amersfoortse Courant
Foto: website Harry Emmery

Harry Emmery over meer dan een kwart eeuw begeleiden:

  • Het slechtste concert
    Archie Shepp. "Hij speelde soms in een totaal andere toonsoort dan de rest, en zijn timing fladderde alle kanten uit. Hij belde mij nog een keer voor een tour, maar daar had ik geen zin in; hij dacht alleen aan de poen en kwam overal te laat."

  • Het beste concert
    Trumpet Summit. "Alle goede trompettisten van het North Sea stonden naast elkaar: Woody Shaw, Wynton Marsalis, Roy Hargrove, Jimmy Owens en James Morrison. Er was weer eens niets voorbereid, maar het werd een gedenkwaardig concert. Alle musici kregen de ruimte, zelfs de begeleiders."

  • Het raarste concert
    Chet Baker. "Gekker nog dan die gigs met Dorothy Donegan waren die met Chet Baker. Behalve ik waren alle muzikanten werkelijk zo stoned als een aap, maar er werd erg goed gespeeld. Iedereen zat echt helemaal n de muziek."