Draai om je oren
In Memoriam



home  
    
    
 

Henry Grimes (1935-2020)

Op 15 april jl. overleed bassist Henry Grimes aan de gevolgen van het coronavirus. Hij werd 84 jaar.

tekst: Martin Rohde, april
foto's: Cees van de Ven

Henry Grimes werd geboren op 3 november 1935 in Philadelphia, de stad waar al zo veel jazzmusici vandaan kwamen, denk aan John Coltrane, McCoy Tyner en Dizzy Gillespie. Op 12-jarige leeftijd begon hij met vioolspelen, later werd dat de contrabas. Zijn klassieke muzikale opleiding aan de Juillard School of Music kwam hem na zijn studie zeer van pas, zoals hij in latere interviews ook vaak aangaf.

Daarna ging het snel. Zijn talent werd onmiddellijk herkend. Al snel ging hij met Sonny Rollins op tournee. Het rijtje musici uit die tijd waar hij mee samenspeelde klinkt indrukwekkend: Gerry Mulligans Reunion Band met Chet Baker, Thelonious Monk (zoals te zien in de film 'Jazz On A Summer's Day'), Benny Goodman en Billy Taylor. Laatstgenoemde zei over Henry Grimes: "Hij viel op door zijn grote sound, zijn swingende spel en de expressie die hij in zijn spel legde. Daarvoor en daarna heb ik dat nooit meer in mijn eigen band gehoord." Zelf zei Grimes daarover dat hij veel van Willis Jackson en Arnett Cobb had geleerd: "We horen je sound te weinig, zeiden ze!"

Die krachtige toon en voortstuwende spel viel me op toen ik de bassist voor het eerst hoorde op het album 'Tauhid' van Pharoah Sanders, waarop ook Sonny Sharrock en Dave Burrell te horen zijn. Onlangs het album weer teruggeluisterd; het spel van Grimes is een belangrijke bijdrage aan het ensemblespel. Dat begint al in de lange introductie, waar hij een gestreken bassolo speelt. De ervaring van de Juillard School, de klassieke opleiding, komt hier mooi tot uiting.

De avant-garde jaren

Henry Grimes was inmiddels tot de avant-gardekringen toegetreden. Hij was de hoeksteen op geliefde albums, zoals Albert Aylers 'Spirits' en 'Spirits Rejoice' van Albert Ayler, 'Into The Hot' van het Gil Evans Orchestra, 'Unit Structures' en 'Conquistador' van Cecil Taylor en de drie albums van Don Cherry op het Blue Note-label: 'Complete Communion', 'Symphony For Improvisers' en 'Where is Brooklyn?'. De Cherry-albums waren voor mij toegankelijker in die tijd dan de platen van Ayler en Taylor, al ben ik later vooral Albert Ayler meer gaan waarderen. 'Complete Communion' met Gato Barbieri, Henry Grimes en Ed Blackwell, is een klassieker die ik vaak heb beluisterd. Die plaat refereert duidelijk aan Ornette Coleman. Grimes voelt zich hier als een vis in het water, zowel als ritmetandem met Blackwell, maar ook in het samenspel met de blazers, dat hij ondersteunt met zijn melodische lijnen. In 1966 maakte Grimes ook een album onder eigen naam: 'The Call' (ESP Disk, 1966) met klarinettist Perry Robinson en drummer Tom Price. Het zou voorlopig zijn laatste wapenfeit zijn.

Eind jaren zestig verhuisde Henry Grimes naar CaliforniŽ. Hij besloot om zich uit de muziek terug te trekken. De bassist zei er zelf over dat hij niet meer wist wat zijn plaats was in de muziekscene; hij had geen idee hoe verder te gaan. Het leek ook niet meer zijn interesse te hebben. Hij zat financieel, maar ook geestelijk aan de grond en verkocht zijn kapotte bas voor 500 dollar aan een vioolbouwer. In het begin was hij zelfs dakloos, eind jaren zeventig had hij een klein hotelkamertje en verdiende hij de kost als klusjesman, portier en nachtwaker in de bouw. Na zijn werk overdag of 's nachts schreef hij gedichten. In die jaren luisterde hij niet naar jazz, maar naar Mexicaanse muziek en dan met name tex-mex.

Doodgewaand en teruggevonden

In 2002 werd Grimes door maatschappelijk werker Marshall Marotte na een lange speurtocht eindelijk opgespoord. Veel mensen dachten dat hij dood was; hij had met niemand meer contact, ook niet met zijn naaste familieleden. Tijdens het gesprek met Marotte kwam hij erachter dat Albert Ayler en ook andere jazzmusici er niet meer waren. Ook het bestaan van de cd-speler was hem helemaal ontgaan. Maar toen hij zijn oude opnames terughoorde, kreeg hij wel zin om weer te gaan spelen. Alleen had hij geen bas meer en vroeg hij zich af of er nog wel iemand met hem wilde samenspelen...

Bassist William Parker bezorgde hem vanuit New York een contrabas en nodigde hem en passant uit om in op zijn Visions-festival te komen spelen. Het werd een triomf en er volgden nog vele optredens. Zijn vriend en gitarist Marc Ribot vormde met hem en drummer Chad Taylor een trio. Henry Grimes bleek nog niets aan zijn spel te hebben ingeboet, integendeel! Zelfs de viool kwam weer terug. Maar ook met David Murray en Sunny Murray waren er optredens, zoals in het Bimhuis op 25 maart 2004, een concert dat zijn manager en wederhelft Margaret Davis geregeld had. Er verscheen een biografie en een documentaire. Eindelijk kreeg hij de zozeer verdiende erkenning.

De grote kracht van Henry Grimes was misschien wel dat hij schijnbaar moeiteloos schakelde tussen verschillende muziekstijlen.