Draai om je oren
Artikel



home  
    
    
 

Achter de brassbands aan

De laatste jaren is er sprake van een significante renaissance van de jazzy koperorkesten. Vanuit New Orleans begon Troy 'Trombone Shorty' Andrews zijn zegetocht en in zijn kielzog werken nu tal van orkestjes die elementen van hiphop en urban door hun straatjazz hebben geroerd. Tijd om de zaken eens op een rijtje te zetten.

door Eddy Determeyer, juli 2015

Door een smal gangetje kom je in de achtertuin. 's Ochtends om acht uur is het er heerlijk, een graad of 23, 24 en een rijtje gargouilles tegen de witte achtermuur plus een vijvertje met een fontein zorgen voor extra verkoeling. De huizen zijn van planken die dakpansgewijs over elkaar vallen en ook de kleuren bleekblauw en zachtroze mogen typerend voor de oude creoolse architectuur genoemd worden. In de twee bij elkaar getrokken tuintjes keuvelen een kleine dertig lieden beschaafd met elkaar. Overwegend middelbaar en ouder: hier heeft zich de fine fleur van New Orleans verzameld. Een breekbaar dametje draagt op haar t-shirt haar liefde voor Duke Ellington uit.

Fascinerende drankjes
Sinds dertig jaar komt de club bij elkaar in de patio aan St. Ann Street, op de zaterdagochtend van het tweede weekend van het Jazz and Heritage Festival, kortweg het Jazz Fest. Een aantal is inmiddels verhuisd naar elders, maar bij dit weekend staat in ieders agenda een groot kruis. Het is er goed van eten en drinken: you're in New Orleans now. Grote koelboxen zijn gevuld met frisdrank en bier, maar achter een geďmproviseerde bar worden meer fascinerende drankjes gebrouwen. De bartender is een grijze kuif die met vaardige hand twee, drie Mexicaanse toverdrankjes mixt met cola en een uitgeknepen partje limoen. Doekje erover en met een klap wordt de concoctie op de tafel gekwakt, zodat de cola zich moet inhouden om niet tegen de parasol te ejaculeren. Men zal het mij niet euvel duiden dat ik binnen een half uur hopeloos verslaafd ben. Met enigszins glazige ogen zit ik op een laag muurtje naast een oleander naar de zich ontvouwende gebeurtenissen te staren. Dat de Paulin Brothers Brass Band hier in een koel prieeltje speelt, is eveneens onderdeel van de traditie. De gebroeders hebben misschien niet zo'n grote naam als de Rebirth Brass Band of de Olympia. Dat komt omdat pa Ernest 'Doc' Paulin niet van reizen hield en gewoon volop werk had hier in New Orleans.

"Chi Chi", sist klarinettist Ricky Paulin vanuit een mondhoek en het volgend moment zit de band middenin 'Chinatown My Chinatown'. Dat wordt gevolgd door 'St. James Infirmary', dat op zijn beurt moeiteloos overglijdt naar 'Minnie The Moocher', compleet met alle denkbare hi-de-ho mutaties. Volle borsten zingen het orkest na. Opzij, vlak voor de Brothers, zit ma Betty, die ook alweer aardig richting de honderd loopt. Half binnensmonds zingt ze de teksten mee; ze heeft het zo te zien uitstekend naar haar zinnetje."We moeten een beetje oppassen", mompelt een zoon en zet een blikje discreet verpakt in een bruin, papieren zakje uit het zicht. Het is negen uur inmiddels, voor hetzelfde geld zit er gewoon frisdrank in. Maar ik betwijfel dat. Aan het eind van het optreden telt John Hyman (75) de inhoud van de hoed die tweemaal is rondgegaan. 440 Dollar, niet slecht. Hij vertelt over de reünie die hij samen met Sadie Gentry elk jaar organiseert. John maakt zich zorgen over de toekomst van de stad. Het klimaat, de muziek, de keuken en het air van zorgeloosheid trekken mensen van over de hele wereld, die er vervolgens niet meer weggaan. "Daardoor verwatert het specifieke karakter van New Orleans", klaagt John, voor het gemak vergetend dat hij een jaar of veertig geleden precies hetzelfde heeft gedaan. Hij verkaste van Albion naar de Big Easy, vijf straten verderop om precies te zijn, en keek niet meer om.

Rond half elf begeeft het gezelschap zich richting de bus die naar de Fairgrounds rijdt waar het Jazz Fest wordt gehouden. Bij het verlaten van het steegje kijk ik in St. Ann recht tegen de ingang van het Louis Armstrong Park, het voormalige Congo Square. Ik hoor er trommelmuziek vandaan komen (dat is niet verzonnen, daar ben ik niet zo goed in, ik kan alleen maar dingen meemaken).

Krasse knarren
Twee dagen eerder had ik de Paulin Brothers al gehoord op het jazzfestival. Ze treden op in een tent die Economy Hall is genoemd, naar de zaal aan Usuline Street, waar in de begintijd de bands van onder anderen Buddie Petit, Earl Humphrey, King Oliver en Sam Morgan werkten. Wanneer de broeders 'Struttin’ With Some Barbecue' spelen, komt een groep secondliners met witgele parasolletjes de tent binnenstrutten. De groep wordt gedomineerd door forse zwarte dames in verpleegstersoutfits. Een rolstoel is geen bezwaar om mee te doen. Tussen de nummers door onderhouden de Paulin's zich gemoedelijk met het publiek. Ze herkennen en groeten fans en willen weten wie er al voor de zesenveertigste keer op het festival zijn. En verdomd, twee, drie krasse knarren springen overeind.

De Paulin Brothers spelen traditionele, jazzy brassbandmuziek. Dat wil zeggen, min of meer in de stijl zoals die rond 1905 vorm kreeg. Toen kornettist Joseph 'King' Oliver in de Onward Brass Band zat en de muziek opfriste met geďmproviseerde solo's. Vader Ernest Paulin kwam in 1928 naar New Orleans en startte daar zijn eigen Doc Paulin Dixieland Jazz Band. Het duurde niet lang of begrafenissen gingen voor het broodbeleg zorgen, naast Mardi Gras en andere festiviteiten. De Paulin Brothers zetten met andere woorden een gebruik voort dat inmiddels ruim een eeuw oud is. En aangezien pa de boys altijd hoogstpersoonlijk heeft getraind – hij had al gauw in de gaten welk instrument het beste bij welke zoon paste – is de traditie in goede handen. Nu is traditie uiteraard een relatief begrip. Want toen Paulin Sr. rond 1930 de brassbandwereld instapte, kende New Orleans al een straatorkestencultuur van meer dan een eeuw. Wat dat betreft lag de stad duidelijk voor op de rest van het land. Aan de Amerikaanse oostkust (Boston) ontstond in de jaren dertig van de negentiende eeuw een brassbandrage, die zich betrekkelijk snel over de rest van de States uitbreidde. Maar de eerste berichten van muzikale straatparades in de Crescent City, compleet met stoeten dansers, dateren van dertig jaar daarvoor.

Nu weten we dat de vluchtelingen van de slavenopstand in Saint-Domingue (het latere Haďti) in New Orleans een grote culturele input op tal van terreinen (opera, dans, taal en literatuur, architectuur, keuken) hebben gehad. Of deze creolen ook de eerste straatorkesten opgericht hebben, wat voor instrumenten er gebruikt werden en wat voor muziek er gespeeld werd, daar weten we bijzonder weinig van. Wat daarvan bekend is bevindt zich in het hoofd van Bruce Boyd Raeburn, zoon van de leider van het meest progressieve jazzorkest van de jaren veertig en curator van het jazzarchief van Tulane University. Wanneer ik hem opzoek, stoor ik hem in een kwestie rond een kornet die al dan niet van pionier Charles 'Buddy' Bolden zou zijn geweest. Hij laat me foto's zien. Nu is de enige bekende afbeelding van Bolden met kornet, uit 1905, zó onscherp dat je op grond daarvan eigenlijk geen uitspraak kunt doen. Raeburns argwaan is gewekt door de doos waarin de bewuste kornet opgeborgen zou zijn geweest. Er staat met grote letters 'BUDDY BOLDEN' op, maar erg oud ziet dat er niet uit. Het lijkt of de letters er opgeplakt of gesjabloneerd zijn. "En wie bewaart zijn instrument nu in zo'n visserskistje, misschien dat de binnenkant ons aanwijzingen zou kunnen geven", mompelt de musicoloog en klikt de afbeelding weg. We gaan zitten in het studiezaaltje van het archief waar ik zes jaar geleden wekenlang heb gezwoegd op oral histories, speurend naar informatie die ik zou kunnen gebruiken voor mijn boek Big Easy big bands: Dawn and rise of the jazz orchestra. In Raeburns eigen kantoortje zou een dergelijke move slechts resulteren in rampzalige verschuivingen in het gestapelde studie-, research- en referentiepapier.

Eerste zwarte orkesten
"Het Turkse model", steekt hij van wal, "begint Europa in de achttiende eeuw, de tweede helft van de achttiende eeuw te beďnvloeden. Als we bijvoorbeeld naar de Amerikaanse revolutie kijken (1765-1783) dan hebben we het over korpsen van pijpers en trommelaars. Misschien dat de Britten toen al verder waren met hun arsenalen, maar dat was zo'n beetje de situatie. Maar na Napoleon, met de gebieden waar zijn troepen kwamen. Wat die terugbrachten naar Europa was al veel meer het kopermodel. Dus volgens mij zagen we na de napoleontische tijd het ontstaan van wat we tegenwoordig de brassband noemen qua instrumentatie. Maar zoals je zelf (in Big Easy big bands) al aangegeven hebt, zijn het ontwikkelingspeil van de instrumentenfabricage en het scala aan instrumenten dat voorhanden was in de loop van de negentiende eeuw bepaald door de technologie. Dus ten tijde van de Burgeroorlog (1861-1865) was een brassband heel anders dan - laten we zeggen - in 1812. Met de Battle of New Orleans (1814/15) had je bijvoorbeeld nog fife and drums, nog niet echt wat we een koperorkest zouden noemen. Maar tegen de tijd van de verovering van New Orleans door het Union-leger in 1862 hebben we het al over iets wat we als een brassband zouden herkennen. Een monster-orkest: Patrick Sarsfield Gilmore liet honderden muzikanten aan het begin van Canal Street spelen. Dus dat waren reusachtige ondernemingen."

Er zijn bronnen die beweren dat garnizoensdirigent Gilmore (1829-1892) ook Afrikaans-Amerikaanse mensen in zijn orkesten had. Een feit is dat de eerste zwarte orkesten tijdens de Burgeroorlog opdoken. De namen van Kelly, Charley Jaeger, Frank Dodson, Louis Martin, Vinet, Wolf, Richardson en de St. Bernard Band zijn bewaard gebleven. Hoe die orkesten gespeeld hebben, wat de gelegenheden waren en waar en wanneer ze optraden, zal vermoedelijk nimmer opgehelderd worden. Zeker is dat zo'n zestig jaar nadat in New Orleans de eerste blanke of creoolse straatorkesten gesignaleerd werden een zwarte variant daarvan ontstond. Repertoire en speelwijze zullen aanvankelijk vermoedelijk niet significant afgeweken hebben van het blanke model: marsen, ouvertures, licht-klassiek werk en misschien een deuntje van een populaire componist als Stephen Foster.

Het aantal zwarte koperorkesten nam snel toe nadat de Afrikaans-Amerikaanse luitenant-gouverneur van Louisiana, P.B.S. Pinchback, rond beginjaren zeventig van de negentiende eeuw de zwarte inwoners van de staat had opgeroepen zich te organiseren en benevolent societies op te richten. Daarin zouden de problemen van de dag aangekaart kunnen worden en die verenigingen zouden ook ziekte- en begrafeniskosten moeten uitkeren. Aan die oproep werd massaal gehoor gegeven: uiteindelijk zouden er alleen al in de stad New Orleans tegen de 250 van dit soort verenigingen actief zijn. De grotere van deze social and pleasure clubs hadden eigen orkesten voor dansavonden en andere festiviteiten en ook voor begrafenissen. De kleinere organisaties deden in het algemeen een beroep op meer bescheiden ad-hoc-bands. Met als gevolg dat er tegen het eind van de negentiende eeuw een tekort aan geschoolde muzikanten ontstond. In zekere zin heeft die ontwikkeling bijgedragen aan het ontstaan van de jazz: ook amateurs zonder leeservaring begaven zich op de markt en begonnen het repertoire van de grotere georganiseerde kapellen op het gehoor na te spelen. 'Fakers' werden die muzikanten genoemd en zoals gezegd: in de ontwikkeling van de polyfone improvisatiemuziek, die aanvankelijk ragtime heette en vanaf circa 1915 jazz werd genoemd, hebben die een niet te onderschatten rol gespeeld.

Hitte en stank
Overigens beperkte die ontwikkeling zich niet tot het zwarte deel van de bevolking. Ook de overwegend blanke Reliance Band van bastrommelaar (en smid en brandweerman) 'Papa' Jack Laine was een pionier van het genre. Ik huldig dan ook de theorie dat jazz qua oorsprong niet een specifiek zwarte muziek is, maar vanaf het allereerste begin het product van creolen, Afrikaans-Amerikanen, Sicilianen, Fransen en Yankees. Het uitgaansgebied van New Orleans was tussen het midden van de negentiende eeuw en de jaren dertig van de vorige eeuw namelijk niet Storyville of het French Quarter en zelfs niet Tremé. Daarvoor moest je een kilometer of zeven noordelijker zijn aan de kust van Lake Pontchartrain, een strook van vijftien kilometer die zich uitstrekte van West End tot Little Woods. In de zomermaanden van april tot november, wanneer de hitte (en de stank) in de stad bijna niet te harden waren, trok de bevolking namelijk massaal naar de koele boorden van het meer, met hun stranden, parken, muziekkoepels, speeltuinen, hotels, restaurants, bars en danszalen. Iedere dag speelden daar bandjes van velerlei snit. De grotere brassbands in de hotels en de muziekkoepels, de kleinere bandjes of solisten in meer bescheiden paviljoens. Trompettist en zanger Louis Armstrong, de beroemdste zoon van de stad, had het ooit over een zestigtal orkestjes die daar simultaan speelden, maar dat lijkt me overdreven. Voor een deel gebeurde dat op het water; er was een vernuftig stelsel van zomerhuisjes op palen gegroeid, onderling verbonden met loopplanken en pieren. Verenigingen en families huurden dan een zogeheten camp plus bandje of een pianist of een gitarist en die bandjes hoorden elkaar vanzelfsprekend. Melodieën en speelwijzen werden van elkaar overgenomen en zo ontstond geleidelijk en heel natuurlijk een nieuwe hybride dansmuziek. In mijn eerdergenoemde boek heb ik dat proces uitvoeriger uit de doeken gedaan.

Van mijn eerste bezoek aan New Orleans herinner ik me een trip met Harold 'Duke' Dejan, altsaxofonist en leider van de Olympia Brass Band. In 1958 had die besloten de Olympia, die eind negentiende en begin twintigste eeuw actief was, nieuw leven in te blazen. Hij woonde in een bescheiden huisje, waarvan de wanden bedekt waren met historische foto's. Veel van de bands waarmee Duke in zijn jonge jaren had gewerkt, zoals de Moonlight Serenaders van zijn broer Leo die trompet speelde, de Olympia Serenaders, de Holy Ghost Brass Band, de Young Tuxedo Brass Band en uiteindelijk zijn eigen Olympia Brass Band. Maar ook plaatjes om van te watertanden, van de populaire bigbands uit de jaren dertig, zoals die van pianist Joe Robichaux. Ruim dertig jaar stond hij dus aan het hoofd van het meest prominente looporkest van de stad, maar de enige luxe die hij zichzelf veroorloofde waren, naast een uit de kluiten gewassen garderobekast, een Mustang en een Cadillac, die hij jaarlijks voor de nieuwste modellen inruilde.

In de Caddy
In de Caddy van Duke reden we naar Little Woods, het uiterste noordoostelijke punt van de stad. Daar, vertelde hij, kon je de laatste restanten zien van de oude vermaakstrip van de stad. In de jaren dertig was alles naar de gallemiezen gegaan. De uitgaansgelegenheden in het French Quarter, langs Canal en in Tremé hadden successievelijk allemaal airco gekregen. Orkanen hadden huisgehouden aan de kust en een landwinningsproject had uiteindelijk de genadeslag gegeven. Maar inderdaad: bij Little Woods kon je nog fascinerende restanten zien van pieren en etablissementen.

Inmiddels zijn we 32 jaar verder. Katrina zal de laatste sporen wel gewist hebben, dacht ik. Maar toch wilde ik het historische plekje nog een keer bekijken. Waar de Hayes Boulevard een haakse bocht naar rechts maakt, staat nog welgeteld één lege bar. Als ik door het raam kijk, zie ik dat je er in die hoek daar links, tegenover de tap, nog een klein orkestje neer zou kunnen zetten. Maar ach, er woont hier in de omgeving – vijf schaars bebouwde huizenblokken en dan een hele tijd niks meer – geen hond. De betonnen wal waarachter de goederentreinen van het Southern Railway System en de Alabama Great Southern Railroad langs schommelen was er destijds nog niet. Als ik er overheen ben geklauterd en de spoorbaan oversteek, kan ik mijn ogen niet geloven. Over een afstand van zeker een kilometer staan honderden palen in het water. De restanten van de paviljoens die ik me van de vorige keer herinner zijn verweerd tot een half muurtje en een autoband. Google leert me later dat Hurricane Georges in 1998 zijn werk heeft gedaan. Maar er staan nog twee paalwoningen in het water, zo te zien van na de oorlog overigens. Een staat er te koop voor 150.000 dollar, compleet met gas, elektriciteit en stromend water, plus twee makkelijke stoelen op het terras aan de meerkant. Je zou er zó een lijntje uit kunnen gooien en je maaltje voor vanavond binnenhalen. Zou je dan het lijk van die catamaran, die ooit kennelijk met grote kracht op de palen is gespietst, ook weghalen? Dat is de vraag.

Doch laten we terugkeren naar het onderwerp waarvoor ik naar New Orleans ben gekomen. Ik ben hier primair in verband met de renaissance van de brassbands. Het fenomeen straatorkest is, na een bloeiperiode van 1895 tot 1920, een paar keer op een haartje na dood geweest. In de jaren dertig, de crisistijd, was de brassband zo goed als verdwenen. Datzelfde gold voor de jaren vijftig, toen de rhythm-and-bluesgroepen uit de stad internationale triomfen vierden. De beste plek om lekker veel brassbands te zien is de Fairgrouds Racetrack tijdens het Jazz and Heritage Festival. Heilige grond zogezegd: honderd jaar geleden werden hier al concoursen en festivals voor koperorkesten georganiseerd. De teller voor deze editie van het Jazz Fest blijft na zeven dagen op ruim 640.000 bezoekers steken. Het terrein is zó uitgestrekt dat je elkaar niet gauw voor de voeten loopt. In het verleden zijn er wel dagen geweest dat hier meer dan 150.000 man aanwezig was. Opvallend is dat het merendeel van de bezoekers twintiger en dertiger is, en blank. Terwijl het gepresenteerde overwegend zwarte muziek betreft en ook de stad merendeels zwart is. Maar ja, ga je 58 dollar per dag (plus servicekosten) neertellen wanneer je niet zou weten hoe je volgende week de huur moet betalen? Alleen de gospeltent is wat zwarter. De helft van de tijd breng ik daar door en eerlijk is eerlijk, ik pink er menig traantje weg. Zeg nou zelf, wanneer je de keus hebt om hooguit één keer in je leven een hoofd te mogen afhakken of elke zondag hemelhoog uit je dakje te gaan, wat zou je dan kiezen?

Hiphop-meuk
Niet minder dan 23 lokale brassbands staan er geprogrammeerd, nog afgezien van de orkestjes die door het publiek lopen. In alle soorten en maten dus, van hoogst traditionele formaties tot de meest platte hiphop-meuk. Een en ander in de toch wel stomende hitte: het kwik schommelt rond de 30 graden. De organisatie heeft een paar jongens ingehuurd die de bezoekers met ijskoude nevelspuiten bij de les houden. Flauwvallen doe je maar in je eigen tijd. Boven onze hoofden draait een blimp van een televisiestation lome rondjes. Even verderop schrijft een vliegtuigje 'LOVE' en 'PEACE' en 'TOGETHER' tegen de strakblauwe hemel. Een beetje overbodig lijkt me: deze 100.000 mensen zijn broederlijk verenigd in hun appetijt voor goede muziek.

Een orkest dat de grote voorbeelden van honderd jaar en langer geleden voor ogen staan is de Storyville Stompers Brass Band. Met hun twaalf blazers benaderen deze veteranen de Excelsior en de Onward. Het grote verschil is dat er niet wordt gelezen. Maar dat is wellicht ook niet noodzakelijk wanneer je al 34 jaar samenspeelt. 'I’ll Fly Away' begint als een oeroude dirge, maar halverwege verdubbelt het tempo en wordt het een ragtimenummer. Dit lijkt me emblematisch: in de eerst jaren van de vorige eeuw schakelde de Onward Brass Band immers over van de geschreven marsen en hymnen naar deels geďmproviseerd ragtime- en jazzspul. In 'Old Rugged Cross' roffelt de snaartrommelaar een voorbeeldige solo.

Aan het andere eind van het spectrum bevinden zich de jonge orkesten die flink wat funk en urban door hun gumbo roeren en daarmee de kids bereiken. The Stooges zijn daar een voorbeeld van, ze spelen een soort ononderbroken medley van dansritmen. Weinig subtiel, maar wel effectief. Op het podium dansen de plaatselijke gek en een jong meiske energiek mee. Troy Andrews, beter bekend als Trombone Shorty en neefje van vocalist Jessie Hill ('Oo Poo Pah Do'), begon ooit bij The Stooges. Als hij al ooit begonnen is: ik maak me sterk dat ik hem in '83 heb gezien, anderhalve turf hoog, mee trompettend met de een of andere brassband. Maar met zijn Orleans Avenue ontwikkelde hij, in tegenstelling tot zijn alma mater, het genre verder. Toevallig staan beide bands kort na elkaar op verschillende podia geprogrammeerd. The Stooges spelen voor hooguit 200 man, Shorty voor het vijftigvoudige daarvan. Gerechtigheid, dat mag ook wel eens. Orleans Avenue biedt veel meer variatie en slimmere arrangementjes. Voor mijn gevoel komen de mannen van Shorty (die inmiddels ruim boven de 1.80 m zit) soms dichtbij de New Yorkse no wave-bands van de jaren tachtig, zoals Defunkt.

Trombone Shorty is net als de Dirty Dozen Brass Band veel op tournee en dus geldt de Rebirth Brass Band van de gebroeders Frazier, Philip (sousafoon) en Keith (bastrommel) als de beste en populairste koperband van de stad (dat houdt niet in dat de Rebirth uitgesproken honkvast is: op het moment dat ik dit schrijf speelt ze in New York). Vanzelfsprekend staan ook zij op het Jazz Fest geprogrammeerd, maar ik ga ze zien op hun thuisbasis, de Maple Leaf in Oak Street. Daar spelen ze elke dinsdag. Hoewel ze het huisorkest zijn is de entreeprijs pittig: twintig dollar. Er wordt dus gemord aan de deur, maar tegen de tijd dat de band begint puilt de zaak uit. En dat moet je letterlijk nemen. Het octet zet heel traditioneel in met 'Just A Closer Walk With Thee' en 'Lord, Lord, Lord'. Het eerste wat de aandacht trekt is de geweldige stuwkracht van de band. Er is een voorbeeldige balans tussen strakheid en losse polyfonie. De krachtige, stralende trompet van Derek Shezbie draagt de band. Het volk is die twintig dollar allang weer vergeten. De kwaliteit van de Rebirth zit in de geraffineerde wijze waarop ze oeroude gospel- en marsmuziek weet te paren aan vette state-of-the-art streetfunk. Daar moet nadrukkelijk het uitermate stevige geluid van Philip Fraziers sousafoon bij vermeld worden.

Iets dergelijks zou je kunnen zeggen van de Tremé Brass Band van trommelaar Benny Jones Sr., die men zou kunnen kennen van de HBO-serie Tremé. De herkenningsmelodie daarvan is van hen. Dit gezelschap treedt op in d.b.a., een club aan Frenchmen Street, die zich de laatste jaren heeft ontwikkeld tot hét uitgaanscentrum van de stad. Hier zie ik ook waarom de deuren in New Orleans zo'n veertig centimeter hoger zijn dan in de rest van de wereld. Anders kan er geen tubaspeler door zonder schade aan zijn gebit op te lopen. Hier horen we ook de echte New Orleans-spirit. Elke muzikant uit de stad kan met willekeurig elke andere op het podium gaan staan, je hebt dan gelijk een band. Zo voegen zich in de loop van de avond twee gasttrompettisten en een gasttenorist bij het gezelschap van wie een Japanse trompettiste het meeste opzien baart. Twee Japanse toeristen naast me doen het zowat in hun broek van pure opwinding. Niemand kan vertellen hoe ze heet, maar bandleider Benny Jones meldt dat ze ergens bij hem in de buurt woont, in de Seventh Ward, dat ze hier studeert of zo en dat het erop lijkt dat ze een blijvertje is. Op een gegeven moment zet de Tremé 'Tenor Madness' in en aangezien er inmiddels drie tenoren op het podium zitten, verlaat de rest van de blazers het strijdtoneel. Maar met hetzelfde gemak zet de band vervolgens 'I Want My Money Back' in en wordt de d.b.a. getransformeerd tot een dansstraat in Tremé.

Waar het dus allemaal begon, in 1994. "Aan St. Claude Avenue runde een vriend van me, Vernel Washington, een club. Daar serveerden ze vis," vertelt Jones. "Ik ging daar een keer eten en toen vroeg Vernel me of ik een band kon regelen, zodat hij wat publiciteit zou krijgen. Ik zou de week erop met wat jongens langskomen. Een mannetje of vijftien, twintig kwam er jammen. Dus hij vroeg wat een band zou kosten. Ik noemde mijn prijs voor twee sets. Zo veel muzikanten kon hij zich vanzelfsprekend niet veroorloven. Maar die overige gasten bleven wel komen om mee te spelen. Dus zo begon de band, met zeven of acht man. Bij de oorspronkelijke leden zaten ikzelf op snaar, Uncle Lionel (Batiste) op bastrommel, Kerwin James, die is inmiddels overleden, op tuba, Kelly Terry op trompet, Elliot Callier, die we Stackman noemden, op saxofoon en soms Roger Lewis op bariton. En zo begonnen we in clubs te werken, op straat, conventies, festivals, in het House of Blues, hotels, jazzbegrafenissen, optochten."

Blamage
Brassbandmuziek maakt de mens gelukkig. Iets anders kun je niet concluderen wanneer de All For One Brass Band in het Louis Armstrong Park paradeert. Er wordt fantastisch gedanst door de Grand Marshals, maar vlak de kleine meisjes ook niet uit en die boomlange donkere man met zijn racefietsje. Het publiek is overwegend middelbaar, het gras wemelt van de felle kleine mieren en voor cocktailtjes wordt zonder blikken of blozen twaalf dollar gevraagd. Bij een tafeltje van de plaatselijke VVV leer je dat 80.000 inwoners van de stad op de een of andere manier bij het toerisme zijn betrokken. Vorig jaar trok de stad aan Old Man River 9,2 miljoen bezoekers. Wat de plaatselijke overheid er niet van weerhoudt de muziek in de openbare ruimte rigoureus aan banden te leggen. De leges voor optochten buiten het Mardi Gras-seizoen zijn absurd hoog. Ook in de Big Easy wordt muziek in bepaalde kringen nog altijd als lawaai beschouwd. Daar zou verandering in kunnen komen nu er een Music and Cultural Coalition of New Orleans actief is, die een brug wil slaan tussen de muzikanten en de gemeente. Evengoed een onbegrijpelijke zaak: zonder muziek zou het overgrote merendeel van die toeristen de stad links laten liggen. Dat het Park, in de negentiende eeuw het decor van de legendarische zwarte slavendansen, anderhalf jaar hermetisch afgesloten was omdat het er te gevaarlijk zou zijn, was een hilarische blamage voor de stad. De actiegroep People United for Armstrong Park slaagde erin de plek weer tot leven te brengen. Ze organiseert er dit soort kleinschalige optredens en tentoonstellingen die het belang van Tremé onderstrepen. De tramlijn die in aanbouw is op de aangrenzende Rampart Street, kan in de toekomst van belang zijn voor de ontwikkeling van het gebied, inclusief de omgeving van St. Claude. Die ligt in het verlengde van Rampart en daar vind je jazzclubs die je niet in de kolommen van OffBeat zult treffen. Dit uitgaansmagazine vermeldt de programma's van zo'n zestig podia, maar dat aantal mag je in de praktijk ruimhartig naar boven afronden.

Ook het Old Absinthe House, op de hoek van Bourbon en Bienville, heeft ten aanzien van livemuziek een naam hoog te houden. Alleen, voor zover ik weet is dat inmiddels verleden tijd. Al in de jaren twintig en dertig speelden de toppianisten van de stad daar: Steve Lewis, Frank Froeba en Burnell Santiago, 'The Boogie Woogie King'. Na de oorlog resideerde Fats Pichon er bijna een kwart eeuw. Pichon, die ooit de meest prominente bigbandarrangeur was van New Orleans, had een stijl die het midden hield tussen die van Fats Waller en Art Tatum. Daar komt bij dat de tent al tweehonderd jaar bestaat. De moeite van een bezoekje waard dus, al staat ze midden in het toeristengebied. Tegen het eind van de middag bestaat het publiek uit zakenlui uit de nabijgelegen kantoortorens, jonge studenten met hoedjes en een baardige motorduivel. Bij wijze van decoratie zijn er duizenden visitekaartjes tegen de wanden bevestigd, afgewisseld met de geijkte vlaggen en baseballshirts. Vanaf het plafond hangen aan kettingen tientallen American Football-helmen, wanneer het nog wat donkerder wordt zou je die licht voor schedels kunnen houden. Gelukkig is de ingeblikte muziek niet slecht: Stan Kenton met Nat Cole, Ella en Louis, Dave Bartholomew met Fats Domino. Een middelbare creoolse heer in een elegant gestreept colbertje komt met zijn dame binnenwandelen, aarzelt geen seconde en draait een dansje op Fitzgerald en Armstrong. Op de tegelvloer, die er ook al uitziet of die er al 150 jaar ligt, dwarrelt een nieuwsgierig stukje van een paarse plastic feeststola rond.

Als ik toevallig North Villere Street passeer die dwars door Tremé loopt, kan ik de verleiding niet weerstaan er een kijkje te nemen. Ooit, in de Swing Era, had je hier tussen Iberville en Ursuline de belangrijkste entertainment strip van de wijk en dus van de stad. Op loopafstand van elkaar kon je er Rice's Café vinden, The Frenchman's, The Gypsy Tearoom, San Jacinto Hall en Economy Hall. Thans, sinds Katrina maar wellicht al langer, is het een Derde Wereldstraat. Veel huizen zijn weggerot of dichtgespijkerd. De uitbundig woekerende natuur onttrekt andere huizen aan het zicht. Oorspronkelijke bewoners zijn verdronken of weggetrokken, verzekeringsmaatschappijen doen moeilijk ("nee mijnheer, dit is geen waterschade, maar stormschade") en de gemeente wil daarbij niet achterblijven. Hier en daar zijn gaten in de muren of de fundamenten gehakt. Je wilt liever niet fantaseren over wat zich daarachter wellicht afspeelt.

In de buurt van een onduidelijke negotie in auto-onderdelen schuifelt een oldtimer voorbij. Ja, hij is 89 en heeft zijn hele leven in de buurt gewoond. Alleen met Katrina is hij gevlucht, maar hij is weer teruggekomen. Of hij zich de Gypsy Tearoom kan herinneren, of een van de andere tenten hier? Hij pijnigt zijn geheugen, maar zijn ogen blijven dof staan. "Nee mijnheer, van vóór Katrina herinner ik me niets meer."