|
Draai om je oren Jazz en meer - Artikel |
home |
||
|
| |||
|
Jazzpodia in Nederland worstelen met het publiek en hun identiteit door Rudie Kagie, maart 2005
De geest van de surrealistische gorgeldichter Cees Buddingh' leeft voort in de door hem in 1947 mede-opgerichte, oudste jazzclub van Nederland. De bezoeker die op zaterdagavond aan de deur van het Grotekerksplein te Dordrecht morrelt, begrijpt uit de aangeplakte huisregels direct waarom Buddingh' in alledaagse werkelijkheid een poëtisch absurdisme herkende: 'Volg aanwijzingen van het personeel / bij toegangscontrole dient u mee te werken / geen wapens / geen drugs / geen ongewenste intimiteiten / geen racisme / geen agressie / geen hinderlijk gedrag / correcte kleding ver-plicht.' Achter de façade van de jazzclub heerst een half uur voor de aan-vang van het geplande concert een minimum aan bedrijvigheid. Barkeeper Charles van Andel, aardrijkskundeleraar van professie, spoelt neuriërend de glazen. Diskjockey Jan de Lange, eigenaar van een firma in wol- en hand-werkartikelen, heupwiegt achter het mengpaneel op grijsgedraaide klanken van zijn favoriet Gene Ammons. Het overige gezelschap blaast, plukt of roffelt zich intussen warm op instrumentarium dat het gebouwtje weldra zal laten trillen op zijn grondvesten. 'Wow!', luidde de gedachtenflits van De Lange toen hij las dat het program-ma hedenavond voorziet in de topattractie 'The Next Generation: Wayne Shorter Sextet'. Niet te geloven, Wayne Shorter, de legendarische saxo-fonist uit de beste kwintetjaren van Miles Davis, zomaar in Dordrecht! Werkelijk, de middenstander kreeg tranen in de ogen toen die grote naam voor hem opdoemde. Pas toen hij het papier omdraaide, ontdekte hij dat hier sprake was van saxofonist Ben van den Dungen die met zes Rotterdamse conservatoriumstudenten muziek van het Wayne Shorter Sextet kwam spelen. "Nou ja, ook leuk natuurlijk," zegt De Lange berustend. "En tenminste betaalbaar voor ons." Als de band zich om tien over tien met overrompelend geluidsniveau op het repertoire stort, moet de eerste betalende bezoeker nog binnenkomen. Lang laat hij niet op zich wachten: een zestiger in geblokt houthakkershemd, die met een biertje achter een van de twee tafels tegenover het podium gaat zitten. Omstreeks elf uur bevindt zich een twintigkoppige menigte in het pand. Veel drukker zal het niet worden. Staande met het glas in de hand slaan de habitués de muzikale inter-actie gade, het gekeuvel nu en dan onderbrekend door een joviale schouderslag voor elke oude bekende die zich bij de kring voegt. "Ons probleem is dat we dreigen te vergrijzen," verzucht barman Charles. "Met mijn veertig jaar ben ik een van de jongsten hier. De musici op het podium zouden qua leeftijd vaak de kinderen van de vaste bezoekers kunnen zijn." Maar de sfeer zit steevast gebeiteld, verzekert voorzitter Cees de Geus, die bij zijn cog-nac een sigaartje paft. Voorheen de Dordtse Jazzsociëteit ("die naam hebben we laten varen, dat klonk te oubollig") drijft op de inzet van dertig vrijwilligers. De rijkssubsidie liep onlangs met éénderde terug tot tienduizend euro per jaar. De gemeente legt daar elf-duizend euro bij, maar dat is nog steeds geen vetpot. "Het publiek komt bij jazz af op grote namen die we ons niet veroorloven," zegt De Geus. "We piekeren ons suf. Ons probleem is dat de jeugd wegtrekt uit Dordrecht. Er is hier geen universiteit of hoge-school, daardoor missen we een generatie. Zélfs als we de toegang voor jongeren gratis zouden maken, komen ze niet. Een jongere wil hier niet met zijn vader gezien worden."
De trein uit Dordrecht dendert in één uur en achttien minuten naar Amsterdam; een afstand die een een fractie zal bedragen van de kloof die de 'toegankelijke jazz' van de 'geïmproviseerde muziek' scheidt. Subsidiënten maken wél verschil tussen massa en elite, maar onthouden zich van een oordeel over de diverse genres die onder jazz worden geschaard. Bezorgde zaalhouders kwamen er lang geleden al achter dat 'live-muziek' die het publiek stimuleert tot het elegant meeknippen met duim en middenvinger méér omzet garandeert dan de grillige toonkunstenaar die zwicht voor zijn spontane invallen. Voor sympathisanten van de minder profijtelijke nieuwlichterij viel sinds het slotconcert in het oude Bimhuis weinig te beleven, maar daar brengt de feestelijke heropening van het verplaatste jazz- en impro-bolwerk deze week verandering in. Veel muzikanten die daar handenwrijvend hun opwachting hopen te maken, wonen toevallig in de Staatslieden-buurt. Om de hoek vinden ze Zaal 100, een kaal verlichte ambiance aan de Wittenstraat waar het puikje van de lokale scene elke dinsdagavond tot middernacht de remmen losgooit. Voor 2,30 euro per persoon is de bezoeker getuige van wat organiserend trombonist Joost Buis 'een informeel concert' noemt. Zonder een cent subsidie (maar tegen minimale kosten) begint het podium aan zijn tiende jaargang.
"Ik belde op om te vragen wanneer ik daar kon optreden," zegt Jodi Gilbert. "Ik moest een cd opsturen, daarna zouden ze contact met me opnemen. Een paar weken later belde ik weer met Paradox. Ik kwam niet in aanmerking; ze vonden het te experimenteel wat ik doe. Ik heb die meneer gevraagd hoe hij het in zijn hoofd haalt om die concertserie Risk te noemen. No Risk zou een betere titel zijn." In het kantoortje van Paradox in Tilburg wil programmeur Bartho van Straaten het graag even uitleggen. Persoonlijk heeft hij niks tegen Jodi Gilbert, absoluut niet, maar haar uit Amsterdam laten komen om voor drie man op te treden, is voor niemand leuk. Jarenlang had Paradox de reputatie dat daar de muzikale grenzen meedogenlozer werden verlegd dan op enig ander Nederlands jazzpodium. Dat was de invloed van de zéér vooruit-strevend improviserende gebroeders Bert en Jacques Palinckx, die het centrum in 1979 hielpen oprichten. "In de vier jaar dat ik hier nu in dienst ben, zijn we er scherper op gaan letten in hoeverre ons aanbod aanslaat," zegt Van Straaten. "Er komen tegenwoordig zeer veel stijlen aan bod: reggae, folk, pop, blues, noem maar op. Het is voor ons elke avond knokken om de zaal vol te krijgen. Paradox was een echte jazzclub met als gevolg dat voor veel mensen de drempel te hoog lag. Zoals we het nu aanpakken, moet het een doorstroming op gang brengen. Wie hier een leuke bluesavond beleeft, stapt een volgende keer misschien wat makkelijker een jazzconcert binnen." Van overheidswege werd de nieuwe strategie met instemming begroet. Vier jaar bleef Paradox verstoken van rijkssubsidie, maar onlangs stelde het Fonds Podium, Programme-ring en Marketing tot 2009 jaarlijks honderdduizend euro in het vooruitzicht. "In Utrecht volgen ze dezelfde publieksvriendelijke koers als wij," weet Van Straten. "De bezoekers-aantallen schieten omhoog." Het roemruchte SJU-huis in Utrecht verloor daarmee de functie die het als een soort dependance van het Bimhuis had. In januari zette de club geen toonaangevende jazz op de agenda, wél veel wereldmuziek, locale bands en een dj in het weekend. Mag Bartho van Straaten trouwens de nieuwe directeur van Paradox even voorstellen? Voordat Annemarie Uytendaal in die hoedanigheid aantrad, was ze directeur van de Koepelgevangenis in Breda. Dat ze daarnaast verdienstelijk contrabas speelt, verklaart haar belangstelling voor de vacature bij het muziekcentrum. "Managen is managen," licht Annemarie Uytendaal toe. "Of dat bij een gevangenis of een culturele instelling is, maakt in wezen weinig uit."
De trommelvliezen schrijnen nog wat na als de volgende avond het plaatsnaambord van Edam opdoemt. Aan het einde van een moeilijk te vinden zijweg, pal achter de pover verlichte dijk, belandde pianist Nico Bunnink met zijn auto te water. Dat was nog in de tijd dat een verdwaalde jazzmusicus zich niet even per zaktelefoontje de route naar Mahogany Hall kon laten uitleggen. Bijna veertig jaar bestaat de club nu. 's Zomers dient het gebouw als restaurant voor de naastgelegen camping, van oktober tot maart wordt het podium ingeruimd voor 'interessante bands' die gerust alles mogen spelen - van hard bop tot free - mits het 'goed in z'n genre' is. Een beetje indachtig het credo van Duke Ellington, die beweerde slechts twee soorten muziek te kennen: goede en slechte. Vorige maand kwam multi-improvisator Luc Houtkamp langs met een laptop, vergezeld door bassist Raoul van der Weijde en performer Peter Zegveld. Vanavond komt er vast veel volk af op de Para-maribop van zevenmansformatie Fra Fra Sound. "Noem al die jongens maar op: Arnett Cobb, Archie Shepp, Art Taylor, George Adams, Don Pullen - we hebben ze hier allemaal over de vloer gehad," zegt Koos Roskam. Na veertig jaar stopte hij onlangs als beleids-medewerker bij het Hoogheemraadschap. Bijna even lang was hij de vaste programmeur van Mahogany, maar daar hoopt hij nog lang mee door te gaan. "Het is honderd procent vrijwilligerswerk. Omdat het een vriendenploeg is, loopt het hier zo goed," zegt voorzitter Gerard van der Horst, die in de civiele techniek werkt. "Mijn vrouw verkoopt vanavond de kaartjes," vult Roskam aan. "De boel schoonhouden, uit-nodigingen versturen, achter de bar staan: het is veel werk, maar we doen het graag. Ik heb thuis twee plastic zakken met demo-tapes en cd's staan van bands die hier dolgraag willen optreden. De hele handel gaat straks naar het nationaal jazzarchief, we gooien niks weg." "Vergeet vooral onze wisselende tentoonstelling van jazzfoto's niet," maant Kees Koedam, die sinds zijn 'flexibele pensionering' bij het College voor Zorgverzekering van de Ziekenfondsraad nóg meer tijd in het organiseren van zijn exposities steekt. Ed van der Elsken woonde achter de dijk; kijk, daar hangt zijn fameuze grofkorrelige sfeerportret van Ella Fitzgerald. De vergeten jazzfotograaf Ton van Wageningen vloog speciaal over uit Canada om in Edam bij de feestelijke vernissage van zijn oude werk te zijn. "Dat getob dat je bij andere jazzclubs soms tegenkomt, daar snap ik werkelijk niks van," zegt voorzitter Van der Horst. "We laten ons niet van bovenaf in een bepaalde richting duwen. De diversiteit in onze programmering houdt ons al veertig jaar op de been. Voor speciale dingen waar de subsidie niet in voorziet, kunnen we terugvallen op sponsors."
"Nee, we gaan nergens voor opzij. We laten ons door niets en niemand van de wijs brengen," beslist pro-grammeur/secretaris Roskam. Meer dan honderdveertig bezoekers mogen er niet in van de brandweer; de limiet is praktisch bereikt. Nadat Fra Fra Sound de eerste drie kaseko-achtige nummers heeft gespeeld, zweeft een fragiele gestalte over de vloer voor het podium. De zesen-tachtigjarige Amy Roos kan zoals gewoonlijk het dansen niet laten. Rotterdamse affinado's spreken met een mengeling van nostalgie en afgunst over plaat-selijke clubs die in de herinnering voortleven: de Jazzbunker, B-14, Thelonious - ach, er gebeurde zoveel op dat gebied. Dat de stad tegenwoordig een podium met de allure van het Bimhuis ontbeert, betekent niet dat het genre in de Maas verzoop. Schouwburg de Doelen, het bioscooptheater Lantaren/Venster en de Evenaar (in het Volkenkundig Museum) organiseren onder auspiciën van een overkoepelende stichting samen drie concerten per week. Bij Lantaren/Venster gaan filmliefhebbers op vrijdagavond links de trap op. Wie voor de jazz komt, loopt rechtdoor naar de foyer, in afwachting van het moment waarop de zaaldeuren openklappen. Voor het duo-optreden van altsaxofonist Arthur Blythe en tubaspeler Bob Stewart loopt het storm. Alle honderdvijftig kaarten zijn verkocht, mede dankzij de aanwezigheid van Amsterdammers die er een reis over hebben voor een topconcert van zwarte Amerikanen te zien die normaal gesproken in het Bimhuis optreden. Cyriel Pluymakers bepaalt sinds jaar en dag hoe het Rotterdamse jazzprogramma eruit ziet. Vroeger deed hij dat ook in zijn woonplaats Utrecht, maar het stemt hem droef wat er met het SJU-huis aan de hand is. "Het aanbod wordt steeds schraler," stelt hij mis-troostig vast. "Steeds minder podia hebben het lef om een musicus te programmeren als die geen kop heeft die bekend is van de televisie." Neem nu die Europese toernee van Blythe en Stewart. Vijf jaar geleden zouden die nog moeiteloos op vijf plaatsen in Neder-land te boeken zijn geweest, nu zit er maar één concert voor ze in. Zelfs de destijds roemruchte Oosterpoort in Groningen of Korzo in Den Haag verloren hun belangstelling.
Elke late zaterdagmiddag, de boodschappen staan in de gang, waaien in Den Haag vanuit een souterrain ontstuimige jazzritmen over de Laan van Meerdervoort. De toegang is gratis, vanaf het begin, vijftien jaar geleden. Galerie de Regentenkamer kweekte een publiek dat blíjft terugkomen. Vaste klant George Dankmeijer (68), ambtenaar in ruste, wijst om zich heen: "Kijk, op de eerste rij zit een rechter. Samen met zijn vrouw, die is óók rechter. Die twee dames daar komen uit Wassenaar. Ze zijn buitengewoon rijk en drinken altijd witte wijn. En daar..." De opsomming wordt onderbroken om Rob van Kreefeld te begroeten, jarenlang de vaste pianist van Paul van Vliet en tegenwoordig één keer met maand met een jazzcombo te horen in de Regentenkamer. "Dit hier is uniek, zoiets vind je in heel Nederland niet," weet Van Kreefeld. "Het is ook een springplank voor jong talent dat elders moeilijk aan de bak komt. Er wordt hier echt geluisterd, de laatste tijd gelukkig wat gedisciplineerder want het was hier soms knap rumoerig." Het kwartet van de jonge pianist Rembrandt Frerichs oogst een beschaafd applaus en zet het derde nummer in. Dat de Regentenkamer uitgroeide tot een jazzpodium waar mindere goden voor een fractie van de gebruikelijke gage spelen, is een vooroordeel dat organi-sator Richard Kolle krachtig moet tegenspreken. "Zet alvast in je agenda: op 25 juni hebben we Rita Reys hier. De nadruk ligt op mainstream, maar ik vind Han Bennink zo'n fantastische drummer, dat we hem gevraagd hebben om hier met Van Kreefeld te komen spelen. Ik hoop dat hij het doet." In de pauze is er voor iedereen een Indonesische maaltijd, wekelijks bereid door de zesentachtigjarige moeder van Kolle. Ze zit op een klapstoeltje op de eerste rij, zodat ze de muziek goed kan horen. "Ik kom van West Sumatra," roept ze boven de bassolo uit. "Ik kook nog op de ouderwetse manier."
"Die Yamaha-vleugel," wijst Huyts, "hebben we aan Jan Wolkers te danken. Jaren geleden speelde Misha Mengelberg hier. Wolkers had 's middags in de stad de opening van een expositie en kwam na afloop langs. 'Een schande!', riep hij, 'Misha die op een ordinaire piano moet spelen! Ik ben de eerste die duizend gulden stort in een fonds dat jullie gaan oprichten om een vleugel aan te schaffen.' De volgende dag lag de cheque van Wolkers er. Zodra we er het geld voor hadden, is die vleugel gekocht. Ik heb Wolkers gevraagd om bij de feestelijke ingebruikname een praatje te komen houden. Hij trok meteen zijn agenda." "Hee, gozer, kunnen we nu eindelijk beginnen met spelen of hoe zit het?", interrumpeert John Engels. Er zitten vijfentwintig bezoekers in het zaaltje. De jongeren die massaal wegbleven, krijgen vast weer ongelijk. "Ja, de jeugd, dat is een probleem," geeft Huyts toe. "Ik ben bezig om jonge adviseurs aan te trekken. De Tor drijft misschien teveel op mijn persoonlijke smaak. Er zijn nieuwe impulsen nodig." "Spelen, verdomme," roept Engels. Even later drumt hij alsof zijn leven ervan afhangt. "Ik geef me voor twee-honderd procent, weetjewel. Elk concert dat ik speel kan het laatste zijn," zal hij zeggen. Dit artikel verscheen eerder in Vrij Nederland op 19 februari 2005 |
|