Iedereen kent wel het gevoel
van een gemiste traptree.
Je voet raakt héél even het
luchtledige, maar belandt tóch nog veilig op aarde.
Je komt beneden met een korte
vertraging,
overmeesterd door een lichte
sensatie van verwarring en opwinding.
Het is eigenlijk net zoiets
als een saxofoonsolo over een vijfkwartsmaat:
na enkele perfect logische
stappen maakt de muziek plotseling pas op de plaats,
om meteen daarna verder te
gaan alsof er niets aan de hand is.
We voelen hem niet aan, die
vijfde tel.
Er is natuurlijk Take Five van Paul Desmond met
het Dave Brubeck Kwartet,
of, voor de popliefhebbers
onder ons, Living In The Past
van Jethro Tull.
Voor gevorderden: Five-Five-Five
op Frank Zappa’s Shut up ‘n’Play Yer
Guitar.
Maar een goed beeld van die
eigenaardige vijfkwartsmaat
hebben we toch eigenlijk geen
van allen.
Niet zoals we de
vierkwartsmaat doorgronden,
ademen en zelfs menen te
ontwaren in een tikkend reiswekkertje.
Des te interessanter is het daarom,
dat er in Nederland iemand rondloopt,
die een poging waagde, het
spectrum van de vijfkwartsmaat eens in kaart te brengen.
Op jazzgebied welteverstaan,
want de bedenker, Pierre Courbois is jazzdrummer.
Een ballad, een blues,
swingende up-tempo-thema-met-improvisaties,
jazzrock-achtige riffs, en een
bewerking van John Coltrane’s Giant
Steps.
Niets aan de hand met dit
repertoire, zo lijkt het van een afstandje, met een biertje aan de bar.
Maar pas op, in de langzame
ballad die klinkt, zit een traptree te veel.
Trombonist Ilja Reijngoud kent
de venijnige bocht inmiddels, maar gewiekst als hij is,
laat hij de nietsvermoedende
luisteraar een doodsmak maken met een extra lange uithaal.
Reijngoud, maar ook saxofonist
Jasper Blom brengen deze muziek tot leven.
Zij zijn de zoveelste in een
lange rij talentvolle jonge solisten in de groepen van Courbois.
Sinds het vertrekt van Eric
Vloeimans is trompettist Toon de Gouw een vaste waarde:
bescheiden, gedegen en een
pijler een de blazersfrontlijn.
Ondertussen grossiert de
ritmesectie in pokerfaces; Niko Langenhuijsen (contrabas) en
Willem Kühne (piano)
weten precies hoe bandleider Courbois de zaken voor zich ziet.
In vijven, maar dan met z’n
zessen.
Want die
ballad-met-ingebouwde-misstap is nog maar het begin.
Wacht maar tot de blues aan
bod komt.
In de lezing van het
‘Vijfkwarts Sextet’ wordt de muziekgeschiedenis grondig op z’n kop gezet.
Het is algemeen bekend dat de
vroegste blues bestond uit ‘ongeveer’ twaalf maten.
Soms waren het er elf, soms
dertien, en vaak ging een lied gewoon eindeloos door in één enkel akkoord.
Allemaal prima, maar de
geschiedenis blijkt niet helemaal compleet.
Want een trage blues werd ook
nog eens bij benadering (dus ‘ongeveer’)
in een vierkwartsmaat gespeeld.
Als een vooroorlogse blueszanger
meer tijd nodig had voor een klaaglijke laatste lettergreep,
smokkelde hij er een stukje
bij.
En zo lijkt het, alsof
Langenhuijsen zijn basloopjes een beetje oprekt,
om extra klaaglijk te kunnen
spelen.
Zijn langzame blues krijgt nét
dat beetje extra loomheid mee,
karakteristiek voor de
authentieke zuidelijke blues.
In werkelijkheid is het een
door Courbois bekokstoofde vijfde tel,
die het bluesschema zo lekker
laat slepen.
Maar let op!
Een vijfkwartsmaat is niet per
definitie sloom en traag.
In Courbois’ up-tempostukken
gebeurt namelijk precies het omgekeerde.
Vlotte accenten van piano en
drums geven de indruk van een lichte bossa nova,
(jequibau) of een stukje
quasi-oude swing. En dan… pats!
De plaat slaat over, en daar
komt alweer de tweede tel van de volgende maat.
Want we zitten niet in 6/8,
nee, de groep speelt één klein nootje minder, hier bij het Vijfkwarts Sextet.
Benen in de knoop, de tel
kwijt, en je interessantste jazzkenners-gezicht strak in de plooi.
De zomertournee van het Vijfkwarts Sextet is alweer ten einde,
er is geen cd met bijgevoegde
danspasjes,
dus laten we hopen op meer
1-2-3-4-5 in de maat in het volgende seizoen.