|
Draai om je oren Jazz en meer - Interview |
home |
||
|
| |||
|
Frans Vermeerssen: "Ik ben meer voor een mooie honk of een prachtige hoge toon." "Ik vind dat Michael Brecker in het hoge een jankerig zeurtoontje heeft. Erg vervelend. Geef mij maar de rasimprovisator Sonny Rollins. Sound vind ik het allerbelangrijkste." Aldus de 'hippe en eigenwijze vogel' annex saxofonist Frans Vermeerssen...
door Jacques Los, februari 2004
"Op mijn achttiende ben ik begonnen met saxofoon spelen. Ik heb toen privéles gehad, van ene Ferry van Es die in de militaire kapel speelde, en van de Rotterdamse jazz-saxofonist Barend Petersen. Ik koos voor de altsax, want ik had dus Leo Wright horen spelen. Ik was op dat moment helemaal kapot van hem. Al vrij snel begon ik al in bandjes te spelen en op te treden. Mijn eerste jazznoten speelde ik in de Dordtse Jazz Sociëteit. Dat ging eigenlijk veel te snel, want ik wist nog van toeten noch blazen. Gelukkig kwam ik al gauw in contact met Arie van 't Hof, een Dordtse muzikant, die mij harmonieleer onderwees en leerde door de schema's te spelen en te improviseren." "Ik verhuisde naar Groningen en heb daar op het conservatorium klassiek saxofoon gestudeerd en wat later heb ik ook nog in Amsterdam op de beginnende jazzopleiding gezeten. In die Amsterdamse periode heb ik nog in de 'pre'-Houdini's gezeten. Dat was toen een conservatorium-oefenbandje dat arrangementen speelde van trompettist Charly Green. Daar speelden toen (natuurlijk) Angelo Verploegen, Cor Bakker, ik geloof Frits Landesbergen en Eric Calmes in. Na Amsterdam keerde ik terug naar Groningen. Ik kocht toen een goedkope tweedehands tenorsaxofoon, een Evette. Ik vond het tenorspelen ook heel erg leuk. Op een gegeven moment kwam er in Groningen een dansproduktie waarbij muziek van Nedley Elstak werd gespeeld. Ik zei toen tegen Nedley dat ik ook tenorsax speelde en zodoende kwam ik aan de bak. Het was een professionele productie, geďnitieerd door De Oosterpoort, maar niet mijn eerste professionele optreden. Dat was namelijk bij het Flikkertheater met de productie 'Supertamp'. Mijn eerste echte job. Ik wilde de muziek in, en in de krant stond een advertentie. Daar heb ik dus op gesolliciteerd. Ik heb een jaar lang in die productie gespeeld." "Echt leuk en lekker jazz spelen is in het begin van de jaren tachtig begonnen in het workshoporkest van Alan Laurillard. Alan vroeg me al vrij snel voor andere projecten, waaronder de Noodband. De Noodband was een freefunkgroep met dubbele bezetting: 2 altsaxen, 2 basgitaren en 2 slagwerkers plus zangeres Greetje Bijma. Dat was een zeer succesvolle groep die optrad op de belangrijke festivals als de Groninger Jazz Marathon, het Moers festival en de Berliner Jazztage.
In die tachtiger jaren heb ik toch zeker wel ieder jaar met een andere band op de Jazzmarathon gespeeld. Ik speelde erg veel in Groningen en gaf ook nog enkele privélessen en kon met de improjazz en les geven mijn kostje wel verdienen. In die muzikale hectische Groningse muziekperiode had ik ook al mijn eigen bandjes: het Frans Vermeerssen kwartet met pianist Be Meiborg, bassist Gerard Ammerlaan en drummer Bert Klein, en Trio Rima met o.a. Charles Hoffstadt op slagwerk. In 1987 mocht ik voor de Jazzmarathon een groep formeren en een gastmusicus uitnodigen. Dat was de eerste All Ears-groep en de gast werd de trompettist Herb Robertson. Die samenwerking werd een enorm succes. Het resulteerde in een plaat-opname en twee tournees. In die tijd speelde ik geen standards of bebop - daar was ik in het geheel niet in geďnteresseerd - maar uitsluitend vrije jazz. Ik was toen niet alleen een hippe maar ook nog eigenwijze vogel. Nu speel ik wel vrij regelmatig mainstreamjazz."
"Via Michiel Braam, die inmiddels coördinator is op het conservatorium in Arnhem, ben ik daar les gaan geven. Eerst, op basis van een soort gastdocentschap, ensembles vrije improvisatie, en sinds de laatste twee jaar ook hoofdvak saxofoon. Twee dagen in de week ben ik dus docent en - hoewel het erg leuk is om te doen - vind ik het ook net genoeg. Ik wil natuurlijk ook, naast het spelen, mijn eigen dingen doen, zoals arrangeren en componeren. Dat doe ik dan voor de groepen waarin ik speel en zo nu en dan voor fanfare-orkesten en soms ook in opdracht." "Het wordt trouwens qua speelmogelijkheden allemaal wat minder. Dat is natuurlijk een subsidiekwestie. Er verdwijnen podia en de concurrentie is aanzienlijk. Ik heb het geluk dat ik zowel in de Contraband van Willem van Maanen als in Michiel Braams grote formatie (Bik Bent Braam, red.) speel. Beide orkesten worden structureel fatsoenlijk gesubsidieerd. Het bellen om optredens vind ik een moeizame aangelegenheid. Gelukkig wordt dat voor All Ears door het management van Michiel Braam gedaan. Laatst heb ik nog met Arend Niks voor de groep No Can Do de podia gebeld en daar komen dan zes optredens uit. We zijn daar overigens wel blij mee, maar ik vind het niet in verhouding met de energie die je er insteekt. Ik vind het heel lastig mezelf te moeten 'verkopen'. Dat geldt ook voor mijn nieuwe formatie Bright Moments, genoemd overigens naar de dubbel-lp van Roland Kirk. Wat ik met die formatie speel is een wat weerbarstige soort muziek, die niet voor elk podium geschikt is." "Mijn instrument was een tijdlang een Conn tenorsax uit 1921, het befaamde Chu Berry-model. Ik heb hem nog. Tegenwoordig speel ik op een Cannonball en dat bevalt me zeer goed. Het mondstuk is van eboniet, komt uit Amerika en is gemaakt door ene meneer Ron Coello. De Cannonball sax is wat scherper dan de Conn en dit mondstuk past er erg goed bij. Nog steeds speel ik regelmatig op de alt. Ik heb ook geen enkele moeite te switchen en ook geen moeite in de liggingen en toonsoorten. Alhoewel, 5 kruisen en meer is wat lastiger. Vooral bij Michiel Braam krijgen we nog wel eens wat moeilijke, veelkruisige partijen op de lessenaar."
"Daarom is Sonny Rollins, wat mij betreft, een van de weinige improvisatoren in de jazz. Hij verzint altijd dingen. Natuurlijk speelt hij ook wel de licks, zoals hijzelf trouwens zegt in een interview, maar hij gebruikt die om op gang te komen en op basis daarvan hoopt hij verder alle mogelijke muzikale ideeën te kunnen verwezenlijken. Dit alles in tegen-stelling tot zijn goede vriend John Coltrane. Coltrane studeerde en oefende continu en was in zijn muziek, naar mijn idee, zijn oefeningen aan het uitbreiden. Er zijn tussen die twee grote muzikanten ook andere verschillen. Rollins was, zeg maar, een stoter, een melodieuze honker en screamer en Coltrane min of meer een legato- en religieus geörienteerde speler. Rollins vind ik een zeer 'aardse' speler. Ook zo'n wonderbaarlijke, eigenzinnige en unieke saxofonist is Paul Gonsalves. Er is niemand die zo speelt en dat vind ik geweldig. Zijn notenkeus is ongelooflijk hip. Eindeloos goed is de plaat 'Duke Ellington Orchestra Featuring Paul Gonsalves' met al de bekende Ellington-stukken." "Erg belangrijk is de sound. Het heeft veel met je fysiek te maken. Ik denk dat ik bijvoorbeeld het geluid van Stan Getz nooit kan produceren. Ook wat je in je hoofd hoort bepaalt je geluid. Je moet een bepaalde voorstelling hebben hoe het moet klinken. En je moet zorgen voor de goede materialen: mondstuk, riet en een goed instrument. De manier van spelen kan ook nog wel bepalend zijn hoe iemand klinkt. Daarom lijkt het ook dat veel saxofonisten als Brecker klinken. Ik hoop maar dat ik meer als Rollins klink. Ik besteed in mijn lessen veel aandacht aan toonvorming. Vooral van Dave Liebmann heb ik veel geleerd. Dat probeer ik dus over te brengen. Voor mij is sound het allerbelangrijkste. En nu we het toch over geluid hebben; ik vind het fantastisch dat Tobias Delius de Boy Edgar Prijs heeft gewonnen. Ik vind dat zeer terecht. Wat heeft die man een geweldig geluid en wat is het een geweldige improvisator! Het zou leuk zijn met een paar eigenzinnige saxofonisten een tenorengroep te formeren, onder meer met Sean Bergin en Tobias." |
|