Draai om je oren
Jazz en meer - Interview



home  
    
    
 

Frans Vermeerssen:
"Ik ben meer voor een mooie honk of een prachtige hoge toon."

"Ik vind dat Michael Brecker in het hoge een jankerig zeurtoontje heeft. Erg vervelend. Geef mij maar de rasimprovisator Sonny Rollins. Sound vind ik het allerbelangrijkste." Aldus de 'hippe en eigenwijze vogel' annex saxofonist Frans Vermeerssen...

door Jacques Los, februari 2004

Frans Vermeerssen"Tijdens mijn tienerjaren luisterde ik al naar jazz. Dat was in die tijd toch zeer bijzonder. Al de vrienden om mij heen waren popliefhebbers. Voordat het jazzvirus bij mij uitbrak, hield ik me ook met pop bezig; Beatles, Stones, Neil Young, soul en ook nog wat blues. Door een oom van me die veel jazzplaten draaide, kwam ik met de jazz in aanraking. Hij woonde toen een tijdje bij ons in huis, dus vandaar. Als rechtgeaarde hippie kwam ik regelmatig in het Dordtse jongerencentrum Shiva en zag ik de Amerikaanse avantgarde tenorsaxofonist Frank Wright. Dat was een openbaring en ik vond het geweldig! Ik snapte toen absoluut geen ene bal van die muziek, maar ik vond het enorm intrigerend. Ook heb ik later in het Dordtse Minitheater, in een kelder onder het stadhuis, in de jaren '72 tot '76 diverse andere belangrijke jazzgrootheden gezien: Johnny Griffin, Dexter Gordon, Ben Webster, Rene Thomas en Leo Wright."

"Op mijn achttiende ben ik begonnen met saxofoon spelen. Ik heb toen privéles gehad, van ene Ferry van Es die in de militaire kapel speelde, en van de Rotterdamse jazz-saxofonist Barend Petersen. Ik koos voor de altsax, want ik had dus Leo Wright horen spelen. Ik was op dat moment helemaal kapot van hem. Al vrij snel begon ik al in bandjes te spelen en op te treden. Mijn eerste jazznoten speelde ik in de Dordtse Jazz Sociëteit. Dat ging eigenlijk veel te snel, want ik wist nog van toeten noch blazen. Gelukkig kwam ik al gauw in contact met Arie van 't Hof, een Dordtse muzikant, die mij harmonieleer onderwees en leerde door de schema's te spelen en te improviseren."

"Ik verhuisde naar Groningen en heb daar op het conservatorium klassiek saxofoon gestudeerd en wat later heb ik ook nog in Amsterdam op de beginnende jazzopleiding gezeten. In die Amsterdamse periode heb ik nog in de 'pre'-Houdini's gezeten. Dat was toen een conservatorium-oefenbandje dat arrangementen speelde van trompettist Charly Green. Daar speelden toen (natuurlijk) Angelo Verploegen, Cor Bakker, ik geloof Frits Landesbergen en Eric Calmes in. Na Amsterdam keerde ik terug naar Groningen. Ik kocht toen een goedkope tweedehands tenorsaxofoon, een Evette. Ik vond het tenorspelen ook heel erg leuk. Op een gegeven moment kwam er in Groningen een dansproduktie waarbij muziek van Nedley Elstak werd gespeeld. Ik zei toen tegen Nedley dat ik ook tenorsax speelde en zodoende kwam ik aan de bak. Het was een professionele productie, geďnitieerd door De Oosterpoort, maar niet mijn eerste professionele optreden. Dat was namelijk bij het Flikkertheater met de productie 'Supertamp'. Mijn eerste echte job. Ik wilde de muziek in, en in de krant stond een advertentie. Daar heb ik dus op gesolliciteerd. Ik heb een jaar lang in die productie gespeeld."

"Echt leuk en lekker jazz spelen is in het begin van de jaren tachtig begonnen in het workshoporkest van Alan Laurillard. Alan vroeg me al vrij snel voor andere projecten, waaronder de Noodband. De Noodband was een freefunkgroep met dubbele bezetting: 2 altsaxen, 2 basgitaren en 2 slagwerkers plus zangeres Greetje Bijma. Dat was een zeer succesvolle groep die optrad op de belangrijke festivals als de Groninger Jazz Marathon, het Moers festival en de Berliner Jazztage. In die tachtiger jaren heb ik toch zeker wel ieder jaar met een andere band op de Jazzmarathon gespeeld. Ik speelde erg veel in Groningen en gaf ook nog enkele privélessen en kon met de improjazz en les geven mijn kostje wel verdienen. In die muzikale hectische Groningse muziekperiode had ik ook al mijn eigen bandjes: het Frans Vermeerssen kwartet met pianist Be Meiborg, bassist Gerard Ammerlaan en drummer Bert Klein, en Trio Rima met o.a. Charles Hoffstadt op slagwerk. In 1987 mocht ik voor de Jazzmarathon een groep formeren en een gastmusicus uitnodigen. Dat was de eerste All Ears-groep en de gast werd de trompettist Herb Robertson. Die samenwerking werd een enorm succes. Het resulteerde in een plaat-opname en twee tournees. In die tijd speelde ik geen standards of bebop - daar was ik in het geheel niet in geďnteresseerd - maar uitsluitend vrije jazz. Ik was toen niet alleen een hippe maar ook nog eigenwijze vogel. Nu speel ik wel vrij regelmatig mainstreamjazz."

Frans Vermeerssen"In 1988 ben ik naar Haarlem vertrokken en heb ik een nieuw eigen kwartet opgericht. Dat was eigenlijk het Michiel Braam trio met Wilbert de Joode op bas en Michael Vatcher op drums. Ik had dus domweg dat trio 'ingehuurd'. Met dat kwartet heb ik het Roland Kirk-project gedaan. Als gast speelde daarin mee de cellist Paul Stauthamer. Het project heeft zo'n 2 tot 3 jaar gelopen. Na zo'n project is soms wel lastig om regelmatig optredens met andere eigen groepen te regelen. Dus besloten we om All Ears maar te heroprichten. Het kwartet werd uitgebreid met, wederom, op trompet Herb Robertson en op altsax Frank Gratkowski. Inmiddels is er een plaat gemaakt. Volgend jaar gaan we een flinke tournee maken. Het komt in mijn muzikantenbestaan regelmatig voor dat ik tijden niet speel, geen tournees of incidentele optredens. Zo erg vind ik dat niet, want ik ben eigenlijk niet zo'n veelspeler. Ik vind het juist prettig om in een geconcentreerde periode, een maand of zo, flink wat concerten te doen en dan weer even niks."

"Via Michiel Braam, die inmiddels coördinator is op het conservatorium in Arnhem, ben ik daar les gaan geven. Eerst, op basis van een soort gastdocentschap, ensembles vrije improvisatie, en sinds de laatste twee jaar ook hoofdvak saxofoon. Twee dagen in de week ben ik dus docent en - hoewel het erg leuk is om te doen - vind ik het ook net genoeg. Ik wil natuurlijk ook, naast het spelen, mijn eigen dingen doen, zoals arrangeren en componeren. Dat doe ik dan voor de groepen waarin ik speel en zo nu en dan voor fanfare-orkesten en soms ook in opdracht."

"Het wordt trouwens qua speelmogelijkheden allemaal wat minder. Dat is natuurlijk een subsidiekwestie. Er verdwijnen podia en de concurrentie is aanzienlijk. Ik heb het geluk dat ik zowel in de Contraband van Willem van Maanen als in Michiel Braams grote formatie (Bik Bent Braam, red.) speel. Beide orkesten worden structureel fatsoenlijk gesubsidieerd. Het bellen om optredens vind ik een moeizame aangelegenheid. Gelukkig wordt dat voor All Ears door het management van Michiel Braam gedaan. Laatst heb ik nog met Arend Niks voor de groep No Can Do de podia gebeld en daar komen dan zes optredens uit. We zijn daar overigens wel blij mee, maar ik vind het niet in verhouding met de energie die je er insteekt. Ik vind het heel lastig mezelf te moeten 'verkopen'. Dat geldt ook voor mijn nieuwe formatie Bright Moments, genoemd overigens naar de dubbel-lp van Roland Kirk. Wat ik met die formatie speel is een wat weerbarstige soort muziek, die niet voor elk podium geschikt is."

"Mijn instrument was een tijdlang een Conn tenorsax uit 1921, het befaamde Chu Berry-model. Ik heb hem nog. Tegenwoordig speel ik op een Cannonball en dat bevalt me zeer goed. Het mondstuk is van eboniet, komt uit Amerika en is gemaakt door ene meneer Ron Coello. De Cannonball sax is wat scherper dan de Conn en dit mondstuk past er erg goed bij. Nog steeds speel ik regelmatig op de alt. Ik heb ook geen enkele moeite te switchen en ook geen moeite in de liggingen en toonsoorten. Alhoewel, 5 kruisen en meer is wat lastiger. Vooral bij Michiel Braam krijgen we nog wel eens wat moeilijke, veelkruisige partijen op de lessenaar."

Frans Vermeerssen"Nu ik zelf les geef, studeer ik vaak met mijn leerlingen mee. Het is een goede gelegenheid bepaalde standards uit het hoofd te leren. Vroeger dacht ik nog als men zei dat je minstens 60 standards uit je hoofd moest kennen 'wat moet je ermee als je ze toch niet speelt' maar nu vind ik het wel leuk, omdat er veelal in die stukken aardige akkoorden zitten en het harmonisch vaak goed in elkaar steekt. Die stukken probeer ik ook zoveel en goed mogelijk in de akkoorden te spelen. Als ik op het podium sta begin ik meestal netjes het schema te volgen, gaandeweg echter krijg ik daar dan toch genoeg van en ga ik toch over op mijn eigen lijnen en ideeën. Hoe far out ik dan ook speel, ik weet altijd nog wel waar ik ben in het schema. Zeker als ik goed bekend ben met mijn medemusici. Vooral aan Michiels manier van begeleiden heb ik altijd een zeer goed houvast. Het is leuk en spannend om te zien hoe far out je kunt gaan. Hoe beter de ritmesectie is, hoe vrijer ik kan spelen. Ik vraag me dan wel vaak af of ik al die noten wel kan verantwoorden. Zo'n Michael Brecker of Bob Mintzer kunnen dat wel. Brecker kon al op achttienjarige leeftijd alle soli van Coltrane uit z'n hoofd spelen. Dat heeft uiteraard met top-top-toptalent te maken, gepaard aan een enorme werklust. Ik ben daar zelf niet zo in geďnteresseerd en ook niet zo analytisch ingesteld. Andere kenmerken vind ik belangrijker. Ik ben meer voor een mooie honk of een prachtige hoge toon. Dat in tegenstelling tot het academische en veel noten producerende muziek maken. De expressie en het verhaal, daar gaat het om."

"Daarom is Sonny Rollins, wat mij betreft, een van de weinige improvisatoren in de jazz. Hij verzint altijd dingen. Natuurlijk speelt hij ook wel de licks, zoals hijzelf trouwens zegt in een interview, maar hij gebruikt die om op gang te komen en op basis daarvan hoopt hij verder alle mogelijke muzikale ideeën te kunnen verwezenlijken. Dit alles in tegen-stelling tot zijn goede vriend John Coltrane. Coltrane studeerde en oefende continu en was in zijn muziek, naar mijn idee, zijn oefeningen aan het uitbreiden. Er zijn tussen die twee grote muzikanten ook andere verschillen. Rollins was, zeg maar, een stoter, een melodieuze honker en screamer en Coltrane min of meer een legato- en religieus geörienteerde speler. Rollins vind ik een zeer 'aardse' speler. Ook zo'n wonderbaarlijke, eigenzinnige en unieke saxofonist is Paul Gonsalves. Er is niemand die zo speelt en dat vind ik geweldig. Zijn notenkeus is ongelooflijk hip. Eindeloos goed is de plaat 'Duke Ellington Orchestra Featuring Paul Gonsalves' met al de bekende Ellington-stukken."

"Erg belangrijk is de sound. Het heeft veel met je fysiek te maken. Ik denk dat ik bijvoorbeeld het geluid van Stan Getz nooit kan produceren. Ook wat je in je hoofd hoort bepaalt je geluid. Je moet een bepaalde voorstelling hebben hoe het moet klinken. En je moet zorgen voor de goede materialen: mondstuk, riet en een goed instrument. De manier van spelen kan ook nog wel bepalend zijn hoe iemand klinkt. Daarom lijkt het ook dat veel saxofonisten als Brecker klinken. Ik hoop maar dat ik meer als Rollins klink. Ik besteed in mijn lessen veel aandacht aan toonvorming. Vooral van Dave Liebmann heb ik veel geleerd. Dat probeer ik dus over te brengen. Voor mij is sound het allerbelangrijkste. En nu we het toch over geluid hebben; ik vind het fantastisch dat Tobias Delius de Boy Edgar Prijs heeft gewonnen. Ik vind dat zeer terecht. Wat heeft die man een geweldig geluid en wat is het een geweldige improvisator! Het zou leuk zijn met een paar eigenzinnige saxofonisten een tenorengroep te formeren, onder meer met Sean Bergin en Tobias."

Foto's: Cees van de Ven