|
Draai om je oren Jazz en meer - Artikel |
home |
||
|
| |||
|
Rein de Graaff's Bebop Boek In de vroege ochtend van 19 februari 1972 werd de nog maar 34-jarige trompettist Lee Morgan tijdens een optreden in de New Yorkse club Slugs door zijn vriendin Helen More (47) doodgeschoten. Over haar motieven werden geen mededelingen verstrekt. door Rein de Graaff
In de zomer van 1955 kwam het Art Blakey Quintet op bezoek. Er waren moeilijkheden. Blakey's nieuwe trompettist was ziek en de bassist was onderweg blijven steken. Morgan en Spanky DeBest hielpen hem uit de nood en bleven de hele zomervakantie vaste plaatsvervangers in Blakey's groep. Toen de drummer vertrok ging DeBrest mee, maar Lee Morgan besloot na veel wikken en wegen om toch maar eerst zijn studie af te maken. Drie maanden daarna bezweek hij echter toch voor de verleiding, toen Dizzy Gillespie hem voor zijn toenmalige bigband vroeg. Morgan werd door Gillespie als een wonderkind beschouwd en mocht zelfs de solo in 'Night In Tunesia' spelen. Op 8 september 1956 werd Morgans eerste plaat opgenomen: 'Introducing Lee Morgan With Hank Mobley’s Quintet' (naderhand heruitgebracht op BYG onder de naam 'Hank’s Shout'). Spoedig daarna kreeg hij een contract bij Blue Note, als elk jazzlabel in die tijd naarstig op zoek naar de nieuwe Clifford Brown, die toen pas was overleden. Morgan maakte dadelijk een groot aantal platen, waarbij hij vaak toen nog onbekende vrienden mee liet doen, zoals de altisten Clarence Sharp en Kenny Rodgers en tenorist George Coleman. Op al deze platen kunnen we duidelijk horen dat we hier te maken hebben met een trompettist uit de Gillespie/Clifford Brown/Fats Navarro-school: een knetterende toon, een verbijsterende techniek en vreselijke double-times. Soms klinkt hij wat al te lefschopperig, te overdone, een soort stuntvlieger op trompet, wat natuurlijk terug te brengen valt op zijn zeer jeugdige leeftijd (18 jaar!). Toch is zijn spel op deze platen, en vooral op 'Introducing', van grote klasse. Later zou hij meer rust in zijn spel krijgen, voornamelijk door invloeden van Kenny Dorham en Miles Davis. Morgan: "You have to learn how to use space, if there hadn't been Miles,I probably would still be trying to put in as much as I could get in a chorus."
De Messengers worden met stukken als 'Along Came Betty', 'Blues March' en 'Moanin’' waanzinnig populair. In Parijs maken ze tijdens een tournee een aantal voortreffelijke LP's. Morgan blijft tot 1961 bij de Messengers, die voor Blue Note nog een aantal lp's maken, waarbij de twee die op 15 april 1959 in Birdland, 'the Jazz Corner of the World', opgenomen worden wel tot de beste behoren, ook al omdat Golsons plaats (die immers zo'n sterk stempel drukte op het repertoire) hier is ingenomen door een in topvorm verkerende Hank Mobley. In de discografie van Lee Morgan duikt de naam van Hank Mobley vele malen op en op talrijke Mobley-lp's kunnen we Morgan aantreffen. Wat muzikale achtergrond betreft hebben ze immers veel met elkaar gemeen. Beiden hebben bij Gillespie gespeeld en een bindende factor is ook Art Blakey, van wiens groep ze beiden lange tijd deel uitgemaakt hebben, al speelden ze hierin maar korte tijd samen. Op beide 'Jazz Corner'-platen speelt Morgan meer ontspannen dan we meestal van hem gewend zijn. We horen hier ook zijn typische manier van opbouwen: eerst een tijdje stoeien met enkele ritmische motiefjes en daarna losbarsten in een verschrikkelijk trompet-vuurwerk. Jammer genoeg komen we in deze jaren voor het eerst ook de goedkope foefjes met de half ingedrukte ventielen tegen, die hij later helaas nooit meer af zou leren. In 1961 verlaat hij de Messengers en vormt een eigen groep met eerst Clifford Jordan en later Wayne Shorter op tenorsax (met laatstgenoemde had hij ook nog korte tijd bij Blakey gespeeld). Met deze tenoristen maakt hij voor Vee Jay en Blue Note enkele platen waarop we hem ook als een perfecte ballad-vertolker kunnen beluisteren. In 1964 maakt hij voor Blue Note 'The Sidewinder' (met onder anderen Joe Henderson en Barry Harris). De plaat wordt een geweldig commercieel succes en prijkt lange tijd op de Amerikaanse hitlijsten. Na weer een jaar bij de Messengers gewerkt te hebben gaat hij vanaf 1966 met een eigen groep spelen, die de laatste jaren van zijn leven in wisselende bezetting het land doorkruist. Hiervan maakten gedurende langere of kortere tijd deel uit: Philly Joe Jones, Hank Mobley, Cedar Walton, Joe Henderson en Benny Maupin, om maar enkele namen te noemen.
Van 1966 tot aan zijn dood in 1972 maakte hij een overstelpende hoeveelheid platen, waarbij helaas maar enkele muzikaal echt de moeite waard zijn. Ik denk daarbij aan 'Cornbread' en 'No Room For Squares', beide voor Blue Note met Mobley en Herbie Hancock. Het tragische van Lee Morgan is dat hij, evenals Donald Byrd, toch nooit de nieuwe Clifford Brown is geworden. Hoezeer de platenmaatschappijen er hun best ook voor deden. Desondanks is Morgan een van de meest markante figuren uit de geschiedenis van de jazztrompet. |
|