|
Draai om je oren Jazz en meer - Artikel |
home |
||
|
| |||
|
Rein de Graaff's Bebop Boek "Kenny Dorham I consider the most underrated player in the business. His problem is that he's so nice, and people seem to associate greatness with meanness or bitterness. In this business you have to create some kind of anger to be accepted, and therefore too many people take Kenny for granted." (Andrew Hill) door Rein de Graaff
Hij was niet meer weg te denken uit de jazz, hoewel hij zijn leven lang in de schaduw van anderen heeft gestaan. In de veertiger jaren werd hij altijd pas genoemd na Dizzy Gillespie, Fats Navarro of Howard McGhee, en later waren het bijvoorbeeld Freddie Hubbard, Lee Morgan en Nat Adderley die hem wat bekendheid betreft overvleugelden. En toch speelde hij met alle grote musici, van Charlie Parker tot Ornette Coleman, had hij een geheel eigen sound en werd hij bovendien door al zijn collega's als een van hun favorieten beschouwd. Misschien kwam het door zijn karakter, zoals Andrew Hill in de inleiding van dit artikel al zei. Dorham was nu eenmaal geen showman of opvallende figuur. Kenny Dorham werd als McKinley Howard Dorham op 30 augustus 1924 in Fairfield, Texas, geboren (vandaar waarschijnlijk de naam 'Kinney' Dorham op zijn eerste platen). Hij kwam uit een muzikale familie. Moeder en zuster speelden allebei piano, zijn vader speelde gitaar. Als kleuter werd hij al gefascineerd door de muziek: "I played piano by ear. I was fond of hillbilly and western music. That's all you hear out there in Texas." Op zijn zevende kreeg hij zijn eerste pianolessen, iets waarvan hij volgens hemzelf altijd veel profijt heeft gehad. "My best advice is to start off by studying piano. I did it and it helped me enormously. It leads you to a better theoretical foundation." Op Wiley College in Austin, Texas - waar hij zich eigenlijk met scheikunde had moeten bezighouden - besteedde hij de meeste tijd aan zijn trompetstudie en het schrijven van arrangementen. "We had a nice orchestra there. Wild Bill Davis was in the band and encouraged my writing." In die tijd waren zijn favoriete musici Roy Eldridge, Buck Clayton en Louis Armstrong. Van Armstrong schijnt Dorham eens gezegd te hebben, dat zonder hem de hele jazzwereld er anders zou hebben uitgezien. Na zijn diensttijd, waarin hij deel uitmaakte van het Amerikaanse boksteam (!), ging hij naar Californië om zijn geluk in de muziek te beproeven. Maar hij kon daar niet de juiste musici vinden en besloot in 1944 naar New York te verhuizen, waar hij de eerste tijd - zonder er ook maar iemand te kennen - helemaal alleen in een YMCA-gebouw woonde. Al spoedig werd hij echter volledig geaccepteerd door de clan van musici die elke avond in Minton's Playhouse speelde. "It was like a dream playin' every night with the guys I'd only heard about: Bud, Fats, Dexter, Serge, Wardell and many others."
In 1946 kwam ook Dorhams platendebuut met de toonaangevende moderne musici uit New York: Sonny Stitt, Bud Powell, Kenny Clarke en Fats Navarro. Deze opnamen stonden oorspronkelijk op de Savoy-lp 'Fats-Bud-Klook-Sonny-Kinney', maar werden een aantal jaren geleden nog eens heruitgebracht op het BYG-label. Duidelijk zijn wat Dorham betreft de Gillespie-invloeden te horen. Hele hoge noten en waanzinnige capriolen in dubbel tempo. Als we hem met Navarro vergelijken, blijkt echter dat zijn toon anders is. Ronder, vetter en niet zo knetterig. Met ongeveer dezelfde musici nam Dorham ook nog vier stukken voor RCA op. In 1946-47 maakte hij deel uit van de befaamde Billy Eckstine-band en speelde hij verder korte tijd bij Lionel Hampton. In 1948 vroeg Charlie Parker hem bij zijn kwintet (met Al Haig, Tommy Potter en Max Roach), waar hij twee jaar in zou blijven spelen. Van deze periode zijn vele opnamen bewaard gebleven. In die tijd werden vanuit verschillende New Yorkse clubs live radio-uitzendingen verzorgd en vele van die stukken zijn later uitgebracht op 'Le Jazz Cool'-platen, die nog later in ons land in de goedkope SAGA-serie verschenen. Bij het beluisteren van deze opnamen horen we dat Dorham hier duidelijk in zijn element is, mede door de stimulerende werking van de geniale altist en de excellente ritmesectie. Zijn introverte speelwijze contrasteert sterk met de verblindende bravour-solo's van Parker. Als we hem met Miles Davis uit dezelfde tijd vergelijken, blijkt Dorham echter technisch duidelijk meer in zijn mars te hebben. In 1949 vertrekt het Parker-kwintet naar Parijs om daar op te treden op de jaarlijkse 'Salon du Jazz'. Voor Vogue wordt een lp opgenomen waarop James Moody, die met Tadd Dameron op hetzelfde festival speelde, Parker om contractuele redenen verving. Deze opamen werden onder de naam van Al Haig door Prestige heruitgebracht. Het beste stuk is 'Prince Albert' op de 'All The Things You Are'-akkoorden, waarin Dorham een zeer inventieve melodische solo speelt.
Op deze lp is hij te horen in het gezelschap van tenorist Jimmy Heath en een ijzersterke ritmegroep, bestaande uit Percy Heath, Kenny Clarke en Walter Bishop. Hier horen we hem eigenlijk voor het eerst zoals we hem het beste kennen: veel staccato-noten, een vettige toon (dus niet meer zo schreeuwerig Dizzy-achtig) en een buitengewoon lyrische en melodische, directe speelwijze ("A brass player's disposition is such that he doesn't want to waste notes", zei hij eens in een interview.) Aangemoedigd door Art Blakey begint hij aan zijn comeback. Op een plaat ('Moving Out', Prestige) met Blakey en Sonny Rollins uit datzelfde jaar blijkt dat zijn spel krachtiger is geworden en dat hij geen enkele noot mist. Als Blakey's trompetist Clifford Brown besluit om met Max Roach naar Californië te vertrekken, komt hij al spoedig bij de nieuwe Jazz Messengers van Blakey, waarin verder een aantal jonge, toen nog onbekende, musici spelen: Hank Mobley, Horace Silver en Doug Watkins. Naast enkele opnamen als leider voor Blue Note maakt Dorham met deze befaamde groep drie zeer succesvolle lp's, die ook nu nog in vele platenverzamelingen zijn aan te treffen. Kenny Dorham is op al deze platen in grandioze vorm. Het is duidelijk te horen dat hij in deze tijd barstte van zelfvertrouwen. Alles staat als een huis, munt uit door originaliteit en swingt vooral in de medium-tempo stukken enorm. Vooral op de platen die tijdens een optreden in het Cafe Bohemia gemaakt worden, blinkt hij uit met briljante, bijna onsterfelijke solo's, zoals in 'Soft Winds' en zijn solostuk 'Yesterdays'. Eind 1955 verlaat Dorham de Messengers. Zijn plaats wordt ingenomen door newcomer Donald Byrd. Profiterend van de populariteit die hij heeft verworven bij de Messengers begint Dorham een eigen groep, waarbij hij zich omringt met een paar jonge musici: J.R. Monterose, Bobby Timmons, Sam Jones en drummer Arthur Edgehill. Het is een uitstekende groep, dat wel, zoals we kunnen horen op de twee platen die ervan gemaakt werden, maar Dorham is nu eenmaal geen geboren leider en werkgebrek doet hem besluiten om te gaan freelancen in en om New York.
Een ervan springt er echter duidelijk uit: 'Max Roach Plus Four' op Mercury, met de voortreffelijk begeleidende Ray Bryant aan de piano en George Morrow als bassist. De op vele andere platen enigszins duffe manier van spelen is verdwenen. Er wordt hier met pit en durf gespeeld door een felle Dorham en een ontzettend tekeer gaande Rollins. Roach's solo op 'Woody 'n You' is een meesterwerkje. Deze lp werd opgenomen in een periode dat Rollins het niet helemaal meer zag zitten en voortdurend in gevecht scheen te zijn met zijn tenorsaxofonist. Een nieuwe ster uit Chicago wordt Rollins' opvolger bij Roach: Clifford Jordan, die door toedoen van Dorham al spoedig met Horace Silver wordt 'geruild' voor Hank Mobley. Jordan vertelde hierover dat Dorham, die toen min of meer de muzikale leider van de groep was, liever Mobley naast zich had, omdat hij daar vaker mee had gespeeld en omdat Jordan totaal geen ervaring had in het ensemblespel. Jordan: "l was almost a beginner at that time". De ideale combinatie was er weer: Kenny Dorham op trompet, Hank Mobley op tenor. Ook in de jaren daarna hebben ze nog vaak samen gespeeld in allerlei combinaties. De reden dat ze zo goed bij elkaar passen is, dat ze wat speelwijze en achtergrond betreft vrij veel gemeen hebben. Beiden zijn op hun respectievelijke instrument immers een soort van middengewicht. Net zoals Dorham niet tot de groep van 'knetteraars', maar ook niet bij de introverte-sound-voortbrengers behoort, zo valt Mobley niet te plaatsen bij de echte hardbop-tenoren, maar natuurlijk helemaal niet bij de Zoot Sims/Lester Young-achtige groep. Bovendien zijn beide musici duidelijk beïnvloed door Charlie Parker, speelden ze voor de Roach-periode lange tijd samen en hielden ze er beiden een zeer melodische en harmonische opvatting op na. (wordt vervolgd) |
|