|
Draai om je oren Jazz en meer - Artikel |
home |
||
|
| |||
|
Rein de Graaff's Bebop Boek Een onbegrepen en ondergewaardeerde groep figuren in de jazz vormen al jarenlang de zogenaamde jazzzangers (nu even de bluesmannen buiten beschouwing gelaten). Immers, wat is een jazzzanger? Iemand die musicalliedjes op een swingende manier voordraagt? Of is het gewoon iemand die gaat zingen, omdat hij geen instrument kan bespelen? Zeker is dat, wanneer je willekeurige jazzliefhebbers vraagt naar jazzvocalisten, er vaak meewarig wordt geglimlacht. door Rein de Graaff
Eigenlijk is de hele vocale historie begonnen bij Louis Armstrong. Bij de opname van 'Heebie Jeebies' (1926) liet hij volgens de legende zijn tekst vallen en behielp zich daarna met klanken, improviserend op de akkoorden, waaruit de zogenaamde scat vocal ontstond. Daarna kwamen er steeds meer scatzangers, zoals bijvoorbeeld Leo Watson, die ook drummer was en van wie het verhaal gaat, dat hij niet van ophouden wist en vaak na dagen spelen van het podium gedragen moest worden. Ook Cab Calloway en Slim Gaillard wisten al wat scat was. Maar de eerste echte jazzzangers die zich hoofdzakelijk met scatvocalen bezighielden, dienden zich aan bij het ontstaan van de bebop in de veertiger jaren. En dat waren er nogal wat: 'Crazy' Babs Gonzales, Dizzy Gillespie, Joe Carroll, Buddy Stewart en Dave Lambert, om de bekendsten te noemen. Hun scat vocals waren modern en leken op de klanken die Dizzy Gillespie en Charlie Parker op hun instrumenten voortbrachten, wat ook te zien is aan de titels van vele vocalen die in die jaren vaak echte hits werden: 'Oo-Sho-Be-Doo-Be', 'Oo-Bla-Dee', 'Oop Bop Sh’bam', 'Oop-Pop-A-Daa'en 'Ool Ya-Koo'. Plotseling wemelde het van de bop-vocalisten die allemaal probeerden te swingen en te scatten op blues- en 'I Got Rhythm'-schema's, en die ook allemaal de headline bop-comedy-vocal star probeerden te worden. Temidden van alle druk boppende vocalisten was er in deze jaren één figuur die de uitvinder zou worden van een geheel nieuwe, moderne vocale uitdrukkingsmogelijkheid, 'vocalese' geheten. Zijn naam? Eddie Jefferson. Degenen die hem ooit gezien of gehoord hebben, weten waarschijnlijk wel wat vocalese is: het op woorden zetten van klassieke instrumentale jazzsoli, een vocale stijl die later wereldberoemd zou worden door Lambert, Hendricks & Ross, maar waarvan Jefferson de pionier is geweest. Edgar Jefferson werd op 3 augustus 1918 geboren in Pittsburg, als zoon van een entertainer van wie hij een grondige showbusinessopleiding kreeg. Op school studeerde hij tuba en gitaar en bovendien werd hij een verdienstelijk drummer. Samen met pianist Erroll Garner trad hij in zijn jeugd vijf jaar lang op in een wekelijkse radioshow in Pittsburg. Jefferson beschouwde Garner als één van zijn grootste invloeden, van wie hij leerde wat swing was: "A genius... at the age of four he was swingin' as much as he does today, although of course his repertoire was a lot more limited."
Jefferson was vooral onder de indruk gekomen van een plaat van saxofonist James Moody, die in 1949 in Zweden was opgenomen. Daarvan zijn de soli zo lyrisch, dat ze eigenlijk weer songs op zichzelf vormen. Eén van deze stukken, 'l’m In The Mood For Love', werd door de zanger als 'Moody’s Mood For Love' van woorden voorzien, waarbij hij een man en een vrouw liet opdraven en zelf ook de vrouwelijke partij (= de pianosolo) voor z'n rekening nam. Maar tijdens een optreden in de Cotton Club in Cincinnatti hoorde collega-zanger King Pleasure Jeffersons versie van 'Moody’s Mood'. Hij verdween ermee naar New York, waar hij ermee optrad in het Apollo-theater in Harlem, en in 1952 zette Pleasure het stuk voor Prestige op de (78 toeren) plaat. Het succes was enorm. 'Moody’s Mood' werd een hit, Pleasure werd alom beschouwd als dé man van 'Moody’s Mood For Love' en de grondlegger van een nieuwe stijl. Ned Gravely van Portem Record Distributors, waaronder ook Prestige viel, kreeg naderhand in de gaten van wie het stuk in werkelijkheid was, en na het oprichten van zijn eigen platenmaatschappij vroeg hij Eddie Jefferson om vier kantjes op te nemen voor het Hi-Lo label. De opnamen werden in Pittsburg gemaakt en bestonden uit op woorden gezette Moody-soli, zoals 'Lester Leaps In' en 'Body And Soul'. In 1953 maakte Jefferson zijn eerste Prestige-opnamen, samen met dans- en zangpartner lrv Taylor, begeleid door een kwartet met onder meer tenorist Seldon Powell. Jeffersons vocalese-verhalen hebben grotendeels betrekking op drie onderwerpen: sophisticated love stories, het leven van bekende jazzfiguren (bijvoorbeeld Parker, Hawkins of James Moody) en geestige kolderverhalen. De Prestige-opnamen hebben het meeste met het laatste onderwerp te maken. 'Old Shoes' bijvoorbeeld is een parodie op een radiocommercial van de National Shoes Company. In 1953 werd Jefferson manager/vocalist bij de band van James Moody, waarmee hij gedurende de jaren vijftig vele plaatopnamen zou maken, hoofdzakelijk voor Argo en Prestige.
Door toedoen van Moody en Johnny Griffin maakte Jefferson in 1961 zijn eerste lp onder eigen naam voor het Riverside-label: 'Letter From Home, The Voice Of Eddie Jefferson'. (Vreemd is het dat bij mijn weten deze lp nooit in een Riverside-catalogus is vermeld. De plaat is inmiddels dan ook uitgegroeid tot een echt collector's item). Het is een grandioze plaat, waarop Jefferson begeleid wordt door een vrij kleine groep, bestaande uit twee trompetten, trombone, alt, twee tenoren, bariton en ritmesectie. Door de slimme arrangementen van Ernie Wilkins klinkt het orkestje als een bigband. Er zijn vele goede solisten te horen: Griffin, Moody, Clark Terry en Wynton Kelly, om wat namen te noemen. Jefferson is er enorm swingend in de weer met grandioze vocalese-versies van soli van Arnett Cobb, Charlie Parker, Cannonball Adderley en natuurlijk James Moody. Het beste stuk van de plaat vind ik 'I Feel So Good', een Moody-solo op 'Body And Soul' (met als coda: 'This was the story James Moody was telling on his tenor when he was so in love'). "Eddie digs Moody's soul", heeft iemand eens gezegd. En zo is het. Het lijkt inderdaad alsof Jefferson altijd precies de juiste gevoelens van Moody in woorden vertolkt. Deze plaat is meteen een aardige gelegenheid om Jefferson te vergelijken met zijn collega King Pleasure, de man die zo populair wist te worden met Jeffersons vinding ("Yeah, he popped those lyrics, but in a way he opened it up for me"). Pleasure maakte in de vijftiger jaren een aantal opnamen voor Prestige, verdween daarna een tijdlang van de scene, om in 1960 nog eens op te duiken als leider op het Californische Hi-Fi-label, met onder meer Harold Land en Teddy Edwards. Als we beide zangers naast elkaar zetten, blijkt dat Jefferson toch wel echt de betere is. Pleasure's intonatie is vaak vals en zijn timing is nou ook niet altijd je dat; op zijn opname van 'Parker’s Mood' gaat hij bij het begin van het tweede chorus dan ook volledig de mist in en op 'Don’t Get Scared' wordt op een gegeven moment de beat omgedraaid. Dat Pleasure toch altijd met de beste musici platen maakte (John Lewis, J.J. Johnson, Lucky Thompson) zal wel aan het feit gelegen hebben dat Prestige destijds het beste met hem voor had, omdat ze al schatten verdiend hadden aan zijn versie van 'Moody’s Mood'. Voor James Moody bleek het aan het begin van de zestiger jaren geen haalbare kaart meer om een eigen groep bij elkaar te houden. In 1962 maakten hij en Jefferson nog een liveopname in de Jazz Workshop in San Francisco, waarbij we Jefferson horen in 'Disappointed' (de 'Lady Be Good'-solo van Charlie Parker) en Horace Silvers 'Sister Sadie', met de solo van trompettist Blue Mitchell. Moody vertrok naar Gillespie, en het werd stil rondom Eddie Jefferson.
Het titelstuk, dé solo van Coleman Hawkins, is wel één van de hoogtepunten van de lp geworden. Hierin vertelt Jefferson over het leven van 'Bean' en over de indruk die 'Body And Soul' op hem maakte, toen hij het stuk voor de eerste keer hoorde. Verder onder meer 'So What', met de Miles Davis-solo en Charlie Parkers versie van 'Now Is The Time'. De plaat werd een groot succes en mede hierdoor kreeg Jefferson steeds meer engagementen, met als hoogtepunt een optreden op het Newport-festival in 1969. Hij kreeg een uitstekende kritiek: 'E.J. came forward to pay tribute to Coleman Hawkins with 'Body And Soul', singing Bean's immortal solo with genuine warmth, his lyrics telling a fitting story. Charlie Parker's 'Now Is The Time' was led off by Jefferson, again with beautiful storytelling lyrics.' Dat storytelling is kenmerkend voor vele van zijn vertolkingen. Op één van zijn oudere opnamen, 'The Birdland Story', die handelt over een sessie met Moody, Bird en Diz in de destijds beroemde club, begint hij met te zeggen: "Stop...! while I tell you a story about James Moody..." Jefferson kan dat doen, want hij was er werkelijk op de avond dat die sessie plaatsvond. Na Newport kwam er nog een lp voor Prestige, ook weer met Barry Harris, maar nu met de blazers Charles McPherson en Bill Hardman (voor iemand die door een onzer vaderlandse critici eens 'de slechtste trompettist ter wereld' werd genoemd, speelt Hardman nog helemaal niet zo gek, vind ik). Op deze plaat ('Come Along With Me') staan weer een groot aantal onsterfelijke soli, bijvoorbeeld 'Dexter Digs In' (Dexters solo uit 1946), 'Baby Girl' (Lesters solo op 'Foolish Things'), 'Yardbird Suite' (Parker op Dial) en 'The Preacher'
Hij vertelde me toen dat het erg goed met hem ging en dat hij het weer enorm druk had. Het publiek was die avond laaiend enthousiast en wilde hem bijna niet laten gaan. Jammer was dat zijn optreden bij enkele heren critici niet helemaal over kwam. In Jazzwereld werd zijn naam niet eens genoemd en een dagblad-criticus noemde hem 'een regelrechte giller in de Ella Fitzgerald-stijl'. Jammer, want daaruit bleek dat de man er niets, maar dan ook helemaal niets, van begrepen had. Mocht hij ooit dit verhaal lezen, dan hoop ik dat hij nu begrijpt dat we hier niet te maken hebben met zomaar een zanger, maar met een enorme persoonlijkheid, die eenvoudigweg niet meer weg te denken is uit de geschiedenis van de jazz. Jazzzanger Eddie Jefferson, de King of Vocalese, werd op 9 mei 1979 doodgeschoten na het verlaten van jazzclub Baker's Keyboard Lounge in Detroit. |
|