Draai om je oren
Concertrecensie



home  
    
    
 

Dave Douglas bewijst eer aan Misha Mengelberg en neemt Sarah Palin te grazen
Dave Douglas Quintet, donderdag 29 oktober 2009, Bimhuis, Amsterdam

door Peter Smids, november 2009
foto's: Maarten Jan Rieder

In 2002 voegde trompettist Dave Douglas verrassenderwijs een klassieke hardbopbezetting aan zijn expressie-arsenaal toe: trompet, tenor, piano, bas, drums. Overigens zat er in die standaard instrumentatie wel weer een opmerkelijke variant; het was Uri Caine niet vergund om in dit kwintet op een Steinway, Yamaha, Fazioli, Bechstein of Baldwin te spelen. Om de geest van het Miles Davis Quintet van 1968 - van 'Miles In The Sky' en van 'Filles de Kilimanjaro', waarop Herbie Hancock en Chick Corea de Fender Rhodes bespeelden - zo sprekend mogelijk op te roepen, moest Uri Caine in de voetsporen van deze illustere Fender Rhodes-pioniers treden.

Met horten en stoten maakte Dave Douglas ons deelgenoot van de verrichtingen van het kwintet, waarmee hij in 2002 van start ging. In het oprichtingsjaar kwam hij met de cd 'The Infinite' (RCA) op de proppen, die verraste door zijn subtiele balans tussen vrijheid en gebondenheid en door zijn grote toegankelijkheid. Ook de drie opvolgers van de debuut-cd behielden deze karaktertrekken.

Een jaar later verscheen 'Strange Liberation' (Bluebird), met als gast gitarist Bill Frisell. Vervolgens moesten we drie jaar wachten op 'Meaning And Mystery' en 'Live At The Jazz Standard', twee kwintet-cd's uit 2006, die allebei verschenen op het eigen label van Dave Douglas. Op deze twee Greenleaf-producties is Donny McCaslin de opvolger van de tenorsaxofonist Chris Potter, maar ook hier is Uri Caine weer van de partij met zijn (ogenschijnlijk) onafscheidelijke elektronische piano.

Het was dan ook een verrassing dat er voor aanvang van het concert een volwaardige vleugel in de aanslag stond, en dat de Fender Rhodes in geen velden of wegen was te bekennen. Wat ook opviel: veel muziekpapier op de lessenaars. Wat ons al was aangekondigd: Matt Penman had de plaats ingenomen van de bassist James Genus, die net als Caine en drummer Clarence Penn heeft meegespeeld op alle kwintet-cd's.

Het optreden in het Bimhuis vormde de tweede etappe van een Europese tournee, die het kwintet langs dertien steden zou voeren. Aangezien het programma bestond uit spiksplinternieuwe stukken of uit drastische bewerkingen van bestaand materiaal, en de band nog te kort op stap was om de vaak behoorlijk gecompliceerde composities (allemaal van de hand van Douglas) al feilloos uit het hoofd te kennen, werd er vaak aandachtig gelezen. Maar aangezien deze vijf muzikanten elkaar in steeds wisselende combinaties voortdurend tegenkomen en daardoor zeer vertrouwd met elkaar zijn, verliep het neerzetten van de composities soepel en zelfverzekerd, net als het rondstrooien van volledig uitgeschreven riff-achtige fragmenten; met deze geheugensteuntjes voorziet Douglas de veelal langdurige improvisaties tussentijds van extra structuur en doelgerichtheid.

Meteen al in het eerste stuk, 'Handwritten Letter', kon je horen hoe belangrijk de rol van de vleugel was in het aanbrengen van een rijke, welluidende akkoordenlaag; daartoe is de Fender Rhodes eenvoudigweg niet in staat. (Blijkens zijn toelichting op de cd 'Meaning And Mystery' is Dave Douglas overigens een heel andere mening toegdaan: "The way Uri Caine plays the Rhodes makes it very much alive. The rich ringing tone and the warm sustain of the instrument give it a musical blend with the bass and drums. It's a unique blend that flows from Uri's sensitive and tasteful hands.") En ook in zijn improvisaties maakte Caine gretig gebruik van de dynamische en coloristische mogelijkheden van de vleugel.

In het tweede stuk was sprake van een subtiel staaltje politiek activisme, dat je ook in progressieve jazzkringen maar al te zelden tegenkomt: een klank-karikatuur waarmee Sarah Palin op milde wijze voor schut werd gezet, door middel van boertige, soms enigszins haperende, struikelende melodische lijnen. Palin baarde als kandidaat voor het vice-presidentschap in 2008 veel verbijstering en hilariteit met fundamentalistische en analfabetische uitspraken over een breed scala aan maatschappelijke kwesties. Bovendien was zij van 2006 tot 2009 gouverneur van Alaska, en ook in die functie zorgde zij voor veel vrolijkheid en verontwaardiging. Een collega van Palin die het ook nogal bont maakte, was Orval Faubus. Als gouverneur van Arkansas verzette hij zich in 1957, met inzet van de Nationale Garde, tegen het toelaten van zwarte leerlingen op een high school in Little Rock. Deze daad, die indruiste tegen een recente uitspraak van het Hooggerechtshof en een soort staat van beleg veroorzaakte in de hoofdstad van Arkansas, inspireerde bassist Charles Mingus tot een razend schotschrift: 'Fables Of Faubus', waaraan Faubus (1910-1994) nota bene ook nog een vorm van onsterfelijkheid heeft te danken.

Ook het derde stuk van de eerste set dankte zijn ontstaan aan de interesse van Dave Douglas voor de politieke constellatie in de Verenigde Staten: 'The Presidents'. Deze compositie maakt deel uit van een negendelige suite, die Dave Douglas in 2008, tijdens het hoogtepunt van de presidentiŽle verkiezingscampagne, heeft geschreven. De oorspronkelijke naam van de suite was 'Letter From America', maar op basis van de uitslag van de verkiezingen heeft Dave Douglas die veranderd in 'The Delighted States'. Ook 'Blockbuster', het laatste stuk na de pauze, is onderdeel van die suite.

Denk nou niet dat we hier met een politiek-demonstratief concert werden opgezadeld; er was geen sprake van pamfletten of van teksten die woedend de zaal werden ingeslingerd (zoals Mingus dat met het bovengenoemde 'Fables Of Faubus' placht te doen), of van opdringerige getuigenissen waarmee de inspiratiebronnen voor de suite ons werden ingepeperd. De lompheid en zwaarwichtigheid waarmee bijvoorbeeld de Volharding haar poltieke voorkeuren duidelijk placht te maken, zijn lichtjaren verwijderd van de speelsheid, luchtigheid en ironie waarmee Douglas te werk gaat. Zo werd na de pauze Misha Mengelberg nog even in het zonnetje gezet via een goedgemutst miniatuurtje met een kwela-achtige inslag: 'Rain On My Parade'.

Zoals Dave Douglas componeert, zo improviseert hij ook: beweeglijk, onvoorspelbaar, volstrekt natuurlijk, altijd inventief. Hoe moeilijk zijn werk ook te etiketteren is, je bent je er voortdurend van bewust dat zijn composities en zijn improvisaties geworteld zijn in een rijke jazztraditie, die eigenlijk nog verder gaat dan de inspiratiebronnen die hij zelf wel eens genoemd heeft: behalve het Miles Davis/Wayne Shorter kwintet (zijn primaire inspiratiebron) de grandioze kwintetten van Lee Morgan, de groepen rond Joe Henderson/Woody Shaw, de kwintetten van Cannonball en Nat Adderley, de ensembles rond Anthony Braxton/Kenny Wheeler, Julius Hemphill/Baikida Carroll en Tim Berne/Herb Robertson. Ik hoorde in ieder geval ook veel momenten die mij doen denken aan Henry Red Allen en Ruby Braff.

Met Donny McCaslin beschikt Dave Douglas over een buitengewoon empathische bondgenoot. Hij is de opvolger van de geduchte Chris Potter, maar ik heb het idee dat McCaslin in dit kwintet eigenljk beter op zijn plaats is dan zijn befaamde voorganger; hij beschikt over een ongelooflijk flexibele toonvorming en heeft hetzelfde kameleontische vermogen als zijn werkgever om zich moeiteloos te kunnen uitdrukken in de meest uiteenlopende basisstijlen: hardbop, swing, funk, piep-kras-knor. Donny McCaslin wordt nog vaak afgeschilderd als een aanstormend talent, wat hij hoogstwaarschijnlijk te danken heeft aan zijn buitengewoon jongensachtige uiterlijk, terwijl hij toch al 43 is. In ieder geval bewees hij op deze avond eens temeer dat hij een volgroeide maestro is. Daar gaan we nog veel plezier aan beleven.

Drummer Clarence Penn, die al acht jaar met Dave Douglas optrekt, beschikt over dezelfde eigenschappen als Douglas en McCaslin: flexibel, traditiebewust, soeverein. Hij heeft bovendien een scherp gevoel voor structuur, variatie en dynamische nuances. De meeste drummers helpen de muziek (c.q. hun collega's) en het publiek om zeep met een oorverdovend spervuur van klappen, meppen en roffels, maar bij Penn niets van dat alles: als leverancier van swing, drive, kleur, kaders en monturen leverde hij een onmisbare bijdrage aan de architectuur van het door Dave Douglas beoogde eindresultaat. Bassist Matt Penman, geboren in 1974 in Auckland (Nieuw-Zeeland), is net als Douglas en McCaslin een product van de Berklee School Of Music (waarmee en passant nog maar weer eens wordt bewezen dat dit conservatorium niet alleen maar anonieme gladjanussen aflevert). Met zijn degelijke, robuuste spel zorgde hij voor een betrouwbare ondergrond.

Het was zo'n avond die iedereen weer veel vertrouwen in de toekomst van de jazz bezorgde.

Klik hier voor een fotoverslag van dit concert door Maarten Jan Rieder.