
Paul Chambers - 'Paul Chambers Quintet' (Blue Note, 2009)
Opname: 19 mei 1957 / Geremasterd door Rudy Van Gelder in 2008
In 1957, toen dit album werd opgenomen, was Paul Chambers anderhalf jaar bassist van het Miles Davis Quintet. Hij zou acht jaar bij Davis werken, waarmee hij een record vestigde: niemand die het langer volhield bij de nukkige prins van de koele trompet. Van meet af aan had Chambers zich tot doel gesteld de bas als solo-instrument een volwaardige plaats in de jazz te geven. Door zijn verbintenis met Davis kreeg hij de kans een aantal albums onder eigen naam op te nemen, waardoor hij die ambitie kon verwezenlijken.
Op 'Quintet' is hij dan ook zeer prominent aanwezig, als plukker, maar ook als strijker. Voor deze sessie schreef Benny Golson het stuk 'Four Strings', een interessant thema dat door gestopte trompet, tenor en gestreken bas wordt vertolkt. Dan blijkt het toch geen sinecure mooi zuiver te blijven.
Voor het overige kan alleen maar vastgesteld worden dat hij een fors en breed geluid heeft, donker glanzend als een secretaire die al vijf generaties in familiebezit is. Als pizzicatosolist speelt hij krachtig en helder articulerend en ondersteunt hij zijn mensen met trefzeker 'walkende' lijnen. Oscar Pettiford lijkt een belangrijke inspiratiebron.
Voor dit album nodigde Paul Chambers lieden uit die hij kende van de tijd dat hij in Detroit werkte en woonde. Trompettist Donald Byrd was in '57 een kracht in de bebop waarmee terdege rekening moest worden gehouden en drummer Elvin Jones veegde en soleerde fraai gestructureerd. Impliciet wezen deze jonge talenten er nog eens op wat voor een rijk muzikaal klimaat er vóór 1960 in Detroit heerste, voordat het uitgaanscentrum Hastings/Paradise Valley moest wijken voor de vooruitgang, in casu de Chrysler Freeway.
Deze recensie was eerder te lezen in Jazz.(Eddy Determeyer, 6.10.09) - [print]
- [naar boven]

Memorabele jazzavond
Wouter Kiers & Erik van der Luijt Trio, maandag 21 september 2009, Old Quarter, Amsterdam
Het was exact een jaar geleden dat tenorsaxofonist Wouter Kiers in The Old Quarter in hartje Amsterdam speelde. Dit keer trad hij op met het Erik van der Luijt Trio, met naast deze aansprekende pianist ook contrabassist Olaf Meijer en drummer Klaas van Donkersgoed.
Wouter Kiers is onder meer bekend geworden door de band Kiers & De Vries en natuurlijk ook van de halverwege 2005 geformeerde groep Blood, Sweat & Kiers. Vandaar dat opnieuw vele liefhebbers van het imposante tenorgeluid, dat deze saxofonist gewoon is te produceren, naar de aangename maandagavondsessie in The Old Quarter togen.
Het spel van Kiers kent geen rem; vanaf de start van dit concert tot aan de jamsessie, die altijd rond een uur of elf begint, speelde hij alsof zijn leven er vanaf hing. Hij bespeelt zijn van tijgerprint voorziene tenorsax ongelooflijk spectaculair en op hoog niveau. En het samenspel met pianist Van der Luijt beviel Kiers zichtbaar.
Het trio bleek buitengewoon goed op elkaar ingespeeld te zijn. Erik van der Luijt heeft zich tot waarschijnlijk Neerlands beste pianist ontwikkeld. Met een ongemeen heftige techniek en met een enorme flexibiliteit weet hij de meest fantastische muzikale wendingen in zijn spel tot stand te brengen (daarbij geen moment naar de toetsen kijkend). De inventiviteit in zijn spel is verbluffend te noemen, en daarbij geeft Van der Luijt zijn toehoorders ook echt het gevoel dat werkelijk alles door hem als een vanzelfsprekendheid wordt beschouwd.
Bassist Olaf Meijer luistert goed en weet ondanks de muzikale frivoliteiten om zich heen het basisritme perfect aan te geven én vast te houden. Zijn solo's bouwt hij over het algemeen niet uitvoerig uit, maar toch staan ze als een huis. En de nog jeugdige drummer Klaas van Donkersgoed ontwikkelt zich ook onstuimig en weet elk complex gecomponeerd stuk (schijnbaar) moeiteloos mede vorm te geven.
Net als vorig jaar werden de straight-ahead gespeelde nummers in deze sessie consequent door Wouter Kiers ingezet, die niet alleen qua imposant postuur, spierwitte haardos en glinsterende oorring behoorlijk de aandacht trok.
De jamsessie startte eigenlijk direct toen trompettiste Saskia Laroo zich bij de groep voegde en moeiteloos samen met Kiers unisono thema's ging blazen. Tot in de kleine uurtjes bleef het weer erg gezellig en verzuchtte uw recensent wat het toch heerlijk is om op een gewone maandagavond naar deze locatie te kunnen gaan om opnieuw een memorabele jazzavond te kunnen beleven.
(Rolf Polak, 4.10.09) - [print]
- [naar boven]

Eric Vloeimans bij Kunststof TV
Een van de gasten van de live talkshow 'Kunststof TV' vandaag is Eric Vloeimans, zonder twijfel één van de beste trompettisten van Europa.
Vloeimans laat zich niet vastpinnen in een genre; hij is een ware original in zijn spel en zijn composities. Hij beperkt zich ook niet tot één groep, maar speelt in verschillende bezettingen met telkens ander werk. Met zijn Fugimundi-trio vertolkt hij akoestische kamerjazz, met zijn groep Gatecrash zoekt hij juist naar een cross-over tussen jazz en pop. Al dat talent is vele malen bekroond: Vloeimans kreeg al vier keer een Edison, won de Elly Ameling Prijs van de stad Rotterdam, de Boy Edgar Prijs en de Bird Award op het North Sea Jazz Festival.
In Kunststof TV laat Vloeimans muziek horen van de nieuwe Gatecrash-cd 'Heavens Above', die je gerust mag bestempelen als een meesterwerk.
Kunststof TV, 17.35 - 18.15 uur, Nederland 2
Uitzending gemist?
Geen nood. Op de archiefpagina van de website van Kunststof TV kunt u het hele programma online bekijken.
(Maarten van de Ven, 4.10.09) - [print]
- [naar boven]

Australisch trio brengt hypnotiserende improvisaties
donderdag 7 mei 2009, Paradox, Tilburg
Een avond in Tilburg. Drie muzikanten zoeken de stilte in zichzelf, alsof ze aan een meditatie gaan beginnen. Dan klinken subtiel de eerste tonen. Al snel vormen ze zich tot herhalende patronen, die langzaam verschuiven, naar links en naar rechts. Drie kwartier lang rijgen de ritmes en klanken zich aaneen. Het ritueel herhaalt zich na de pauze en zo brengen The Necks op één concertavond in het Tilburgse Paradox slechts twee stukken.
The Necks bestaat uit Chris Abrahams (piano), Lloyd Swanton (bas) en Tony Buck (drums). De muziek van het trio is moeilijk in woorden te vatten. Er zijn associaties met minimal music, en dan met name die van Steve Reich. Delen van de muziekstukken bestaan slechts uit één, twee of drie basistonen. Zoals de pianotoets die herhalend wordt aangeslagen, alsof het de bel bij een spoorwegovergang betreft. Maar het is vooral ook jazz, vrij en onderzoekend, in een klassieke jazztrio-bezetting, maar een allerminst klassieke aanpak. De soms abstracte improvisaties bieden maar nauwelijks houvast voor de luisteraar.
The Necks spelen vooral voor zichzelf, zo lijkt het. Van interactie met het publiek is nauwelijks sprake. En ook onderling wordt alleen gecommuniceerd via de muziek. Bij vlagen gebeuren er boeiende dingen op het podium. Dan word je als luisteraar meegenomen naar een hypnotiserende climax. Maar een groot deel van het concert heb je het idee dat het hier gaat om een nog niet uitgewerkt concept van zoekende muzikanten. Die zoektocht meemaken is hier en daar spannend. Maar als het samenspel vervalt in een langdurige, ondoordringbare kluwen van klanken, is het moeilijk de aandacht vast te houden. De te lang aangehouden herhalingen beginnen zelfs lichtelijk te irriteren.
Een spanningsboog van drie kwartier vergt het uiterste van de luisteraar. En dat terwijl het verhaal dat de band heeft boeiend genoeg is. Het kan alleen - zo is mijn indruk - veel krachtiger verteld worden in een tijdspanne van tien, oké, vijftien minuten. In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister.
Klik hier voor een fotoverslag van dit concert door Maarten van de Ven.
(Erno Mijland, 2.10.09) - [print]
- [naar boven]

Alex Cline – 'Continuation' (Cryptogramophone, 2009)
Opname: 2008
Met een bezetting waarin zowel cello als viool voorkomen, is de link met klassieke muziek al snel gemaakt. Toch is dat maar de helft van het verhaal, want jazz is wel degelijk een hoofdbestanddeel van de muziek van drummer/componist Alex Cline. Muziek die fijn wil swingen, grooven en rijkelijk gearrangeerd is, maar wordt gecontrasteerd met kale, uitgestrekte passages met een bijna Zen-achtige sfeer. Meditatief, kalm, zonder haast gespeeld, maar zeker geen ballads.
De muziek op 'Continuation' vraagt veel van de luisteraar: vier van de stukken klokken boven de tien minuten, waarvan er twee bijna negentien minuten lang zijn. Het mooie van deze cd is dat alle stukken onderdeel van een groter geheel zijn. En wie de cd in zijn geheel afluistert, krijgt daar veel voor terug. Vaak doet de muziek denken aan Sylvie Courvoisiers 'Lonelyville', een vergelijking die bedoeld is als compliment. Net als Courvoisier zoekt Cline aansluiting bij klassieke kamermuziek, wat vooral is terug te horen in de opbouw van de stukken, die naast minutieus uitgeschreven delen ook improvisaties bevatten.
De toon wordt al direct gezet met opener 'Nourishing Our Roots', dat een alsmaar herhaalde melodie laat bezwijken onder zijn eigen gewicht. Nauwelijks bekomen van de emotionele lading van het stuk, biedt 'Steadfast' het meest jazzy stuk van de cd, waarin violist Jeff Gauthier een lange, sterke solo speelt, die qua geluid doet denken aan Jean-Luc Ponty. Dat wil zeggen: jazzy, niet zozeer klassiek als een Mark Feldman. Het snelle tempo en een unisono gespeelde finale maken het stuk af.
Groot is het contrast met het daaropvolgende stuk 'SubMerge', dat opent met vijf minuten dissonante improvisatie op percussie, gevolgd door melodische, droeve strijkers, harmonium en oosters aandoende percussie. Een verwachte melodische ontwikkeling blijft echter uit; er volgt een lange improvisatie met opnieuw oosterse percussie, gevolgd door een atonale improvisatie door viool en cello die oplost in het niets. Na een korte stilte wordt opnieuw het thema gespeeld, unisono nog wel door cello, viool en een ondefinieerbaar snaarinstrument.
Van abstract terug naar conventioneel is 'On The Bones Of The Homegoing Thunder', dat opent met een swingende ritmesectie en dito pianosolo van Myra Melford. De muziek ontwikkelt zich al snel naar abstracte free jazz, om ineens weer naar oosterse sferen te keren met behulp van Cline's gongs en een unisono gespeelde melodie door bassist Scott Walton en celliste Peggy Lee. Na een nieuwe opening met Cline op brushes speelt Gauthier opnieuw een prachtige, gedragen solo, die ook hier weer abrupt oplost in het niets: de muziek verwordt tot chaos, tot het thema opnieuw wordt gespeeld, maar dan dubbel zo snel als aan het begin. Na de daaropvolgende stilte is het stuk echter nog niet afgelopen: er volgt een stukje dromerige percussie en een prachtig stukje film-noir jazz, met walking bass van Walton. Het stukje is te kort om een aparte compositie te worden genoemd, maar het verrassingseffect werkt perfect.
Het slot, de zes minuten van 'Open Hands (Receive, Release)' zijn na al dit geweld niet meer dan een berustend, maar voldaan slotakkoord van een werkelijk prachtige, emotioneel geladen cd.
Meer horen?
Op de MySpace-pagina van Alex Cline kun je van dit album drie tracks beluisteren: 'Steadfast', 'Clearing Our Streams' en 'Fade To Green'.(Eric van Rees, 2.10.09) - [print]
- [naar boven]
Lees verder in het archief...